Behaälotcha

Sjabbat Behaälotcha, 14 juni 2025/ 18 siewan 5785

Bemidbar/Numeri 10: 35 – 12: 16. Tanach blz. 288-292.

Haftara: Psalm 78: 1 – 35; Tanach blz. 1328-1330.

Vertaler:         Frits Pront

Coördinatie:   Harry Polak

Commentaar:  rabbijn Jan Uhrbach, o.a. Bridge Shul, Bridgehampton, New York

Oorspronkelijke Engelse tekst

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

De tocht

Hoe gaan we verder met het bereiken van ons doel? Individueel en maatschappelijk, hoe weten we wanneer we verder moeten gaan en in welke richting?

Op het eerste gezicht lijkt de beschrijving van de tocht van de Jisraëlieten van de Sinai naar het Beloofde Land een schoolvoorbeeld van duidelijkheid en eenvoud:

Telkens als de wolk zich van de tent verhief trokken de Jisraëlieten verder en op de plaats waar de wolk stilhield sloegen ze hun kamp op. Op bevel van de Eeuwige trokken de Jisraëlieten verder, en op bevel van de Eeuwige sloegen ze hun kamp op.

(עַל־פִּי ה’ יִסְעוּ בְּנֵי יִשְׂרָאֵל וְעַל־פִּי ה’ יַחֲנוּ)                                                                                  

Zolang de wolk op de tabernakel rustte, bleven ze op de plaats waar ze waren. Bleef de wolk lange tijd boven de tabernakel hangen, dan braken de Jisraëlieten al die tijd niet op; ze hielden zich aan de aanwijzingen van de Eeuwige. Soms bleef de wolk maar een paar dagen boven de tabernakel hangen. Ook dan sloegen ze hun kamp op wanneer de Eeuwige daartoe bevel gaf en trokken ze weer verder wanneer de Eeuwige het beval.

(עַל־פִּי ה’ יַחֲנוּ וְעַל־פִּי ה’ יִסָּעוּ)

Soms ook bleef de wolk alleen van de avond tot de morgen. Als hij zich dan ’s morgens verhief, trokken ze verder. Zodra de wolk zich verhief, of dat nu overdag gebeurde of ’s nachts, trokken ze verder. Rustte de wolk langere tijd boven de tabernakel – een paar dagen of een maand of nog langer – dan bleven de Jisraëlieten al die tijd op de plaats waar ze waren; pas wanneer hij zich verhief trokken ze weer verder. Op bevel van de Eeuwige sloegen ze hun kamp op, en op bevel van de Eeuwige trokken ze verder.

(עַל־פִּי ה’ יַחֲנוּ וְעַל־פִּי ה’ יִסָּעוּ)

Ze hielden zich aan de aanwijzingen van de Eeuwige, die de Eeuwige hun bij monde van Mosjee gegeven had. (Bemidbar 9: 17 – 23)

Het is een gemakkelijke oplossing – volg gewoon Gods bevel! – maar helaas niet bijzonder van nut. Als de boodschap van de Tora eeuwigheidswaarde heeft, wat heeft dit voorbeeld ons dan te bieden (d.w.z. ons allemaal) tot wie God niet zo rechtstreeks “spreekt”?

Gelukkig is het niet de enige oplossing die de Tora verschaft. Vermengd met deze beschrijving van een eenvoudige, onwrikbare tocht op het niet mis te verstane bevel van God, biedt de Tora ook een verhaal dat hiermee in tegenspraak is.

Nader beschouwd, krijgen we het vermoeden dat Gods aanwijzingen allesbehalve duidelijk waren. In deze passage wordt Gods “leiding” niet uitgedrukt in heldere taal, maar door een wolk – een metafoor die versluiering suggereert, niet helderheid – en moet die worden overgebracht of geïnterpreteerd “door Mosjee”. En onmiddellijk daarna ontdekken we dat er extra “technologieën” op het gebied van navigatie nodig zijn:

  • reisinstructies werden gegeven via trompetten die speciaal vervaardigd waren door Mosjee en waarop geblazen werd door de kohanim. (10: 1–8);
  • de Ark van het Verbond met de Eeuwige ging voor hen uit “om een rustplaats voor hen te zoeken” (10: 33); en het meest veelzeggend:
  • Mosjee smeekte zijn schoonvader Chovav om hun menselijke gids te zijn (“[Mosjee] zei: ‘Ga alsjeblieft niet bij ons weg, jij weet immers waar wij in de woestijn het beste onze tenten kunnen opslaan, je kunt onze gids zijn.” (10: 31).

Met andere woorden, de weg voorwaarts is nooit duidelijk en God is geen bovenaardse GPS. Openbaring en geloof geven vorm aan onze visie waar we naar toe willen; ze bieden een kompas die naar het ware noorden wijst en sturen ons in de globale richting van die visie. Maar om daar te komen, hebben we kaarten, verkeersborden, verkeerslichten en menselijke gidsen nodig met een verscheidenheid aan expertise – religieus en seculier.

Op dezelfde manier, ofschoon God op het eerste gezicht het “voornemen” had en wat ook door Jisraeel werd verwacht, dat ze rechtstreeks en snel naar het Beloofde Land zouden gaan (volgens Rasji 10: 29, 10: 33, binnen drie dagen), wijst die tegenspraak erop dat dat nooit een realistisch beeld was. De tekstverklaarders gaan op gevoelige wijze in op de uitdagingen die gepaard gaan met wat wordt verondersteld een korte tocht te zijn – in het bijzonder, het oponthoud en het wachten, gedurende een onbepaalde tijd.

Rabbi Samson Raphael Hirsch (op 9:16-23) schrijft bijvoorbeeld: “Het is niet zozeer de spanning van langdurige omzwervingen als wel het geduldige uithoudingsvermogen bij de lange stops, die als de werkelijke taak van de testen wordt benadrukt.” Op dezelfde manier benadrukken Ramban, Bahya en Seforno de onzekerheid en onvoorspelbaarheid van de kampementen als bijzonder moeilijk te verdragen. Het resultaat was aan de ene kant ongeduld, zelfversterkend klagen over de huidige situatie (11: 1 ff), en aan de andere kant het rampzalige vooruitblikken naar de toekomst, met als gevolg het ondermijnen van de moed van de gemeenschap en hen ervan weerhouden verder te gaan (12: 1 ff). Samengevat, ze veranderden een korte etappe in een veertigjarige rondreis.

Ook hier beïnvloedt het contrast tussen de geïdealiseerde “opzet” en de realiteit rechtstreeks de menselijke gesteldheid. Een reis die de moeite waard is, verloopt nooit in een rechte lijn, nooit gemakkelijk en we gaan er nooit perfect mee om. Hoewel het normaal is om te fantaseren over snelle oplossingen, niet aan verandering onderhevige koerswijziging – echte vooruitgang – kost tijd en meandert onvermijdelijk door fouten, regressie en terugslag. Zoals met de Jisraëlieten in de woestenij, is het zelden zo simpel als “op commando van de Eeuwige trekken we verder, en op commando van de Eeuwige slaan we onze tenten op.” Integendeel, onze angsten houden ons vast wanneer we worden geroepen om verder te gaan, en ons ongeduld en onvermogen om onzekerheid te verdragen drijven ons verder als we worden geroepen om stil te staan.

Gelukkig biedt het Jodendom een brede aanvulling op navigatiehulpmiddelen om ons onderscheidingsvermogen aan te scherpen, ons alertere lezers te maken op het terrein dat we bestuderen en ons op het juiste pad te houden. Tora-studie met een partner, gebed en meditatie, het zich houden aan de halacha, daden van barmhartigheid, de praktijk van moessar (karakterontwikkeling), deelname aan de Joodse gemeenschap (live of virtueel) – ze fungeren allemaal als de kaarten, wegwijzers en verkeerslichten die we nodig hebben. En ze bevorderen onze veerkracht wanneer de weg die voor ons ligt beangstigend lijkt, of het wachten en de onzekerheid ons bijna te veel lijken.

En in het gunstigste geval zorgen onze fouten voor lering en wegwijzers. Van de vele navigatietechnologieën die de Jisraëlieten in de woestenij gebruikten, was misschien wel de zonderlingste de ark: “De Ark van het Verbond met de Eeuwige ging op een afstand van drie dagen voor hen uit om een rustplaats voor hen te zoeken” (10: 33). Dit is problematisch. Elders (Bemidbar 14: 44) lezen we dat “de ark van het verbond van Mosjee en de Eeuwige in het kamp bleven.” Hoe kan de ark in het kamp blijven en tevens op de een of andere manier drie dagen van tevoren alleen verder trekken? Bij het oplossen van het vraagstuk biedt de Midrasj (Sifrei Bemidbar 82) ons een wijze les in hoe we vooruitgang boeken in de richting van onze doelen. Er waren twee arken: één (met de platen) bleef in het midden van het kamp. Een tweede ark ging vooruit om de kampementen te zoeken. En wat zat er in die tweede ark? De door Mosjee bij het zien van het Stierenbeeld/Gouden Kalf (Sjemot 32: 19) aan stukken gesmeten platen. Het pad naar de toekomst loopt via het verleden. We kijken vooruit bij onze tochten om slechts tot de ontdekking te komen dat onze fouten en zonden, ons gebroken-zijn, “drie dagen vooruit trekken” vormen – waardoor we het voordeel hebben van een cruciale distantie, maar met de wetenschap dat ons einddoel niettemin op ons wacht. De ark met ons gebroken-zijn, vertelt ons waar we halt moeten houden en afwachten – om de problemen en plaatsen die aandacht, rectificatie en herstel nodig hebben aan een onderzoek te onderwerpen ten einde weer verder te gaan in de goede richting. Het vergt moed, geduld en veerkracht. Misschien is dit de reden waarom “de plaats waar ze rustten ook een tocht wordt genoemd”. (מַסָּע מְקוֹם חֲנִיָּתָן אַף הוּא קָרוּי) (Rasji over Sjemot 40: 38).