Beha’alotecha

Sjabbat Beha’alotecha, 30 mei 2026/14 Siewan 5786

Bemidbar/Numeri 8: 1 – 9: 14; Tanach blz. 282.

Haftara: Zecharja 2:14 – 4:7;  Tanach blz. 1215.

Vertaler: Bram Lagendijk

Coördinatie: Channa Kistemaker

Commentaar: Rabbijn Jonathan Sacks z’’l was bij leven Opperrabbijn van het Verenigd Koninkrijk.

Oorspronkelijke Engelse tekst

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

Van wanhoop naar hoop

Er zijn momenten geweest dat een passage in de sidra van deze week voor mij bijna levensreddend was. Geen enkele leiderschapspositie is gemakkelijk. Joden leiden is nog moeilijker. En spiritueel leiderschap kan het moeilijkst van alles zijn. Leiders hebben een publiek imago dat doorgaans kalm, opgewekt, optimistisch en ontspannen is. Maar achter die façade kunnen we allemaal stormen van emoties ervaren, wanneer we beseffen hoe diep de verdeeldheid tussen mensen is, hoe hardnekkig de problemen zijn waarmee we worden geconfronteerd en hoe dun het ijs is waarop we staan. Misschien ervaren we allemaal weleens zulke momenten in ons leven, momenten waarop we weten waar we zijn en waar we naartoe willen, maar simpelweg geen mogelijkheid zien om er te komen. Dat is de voorbode van wanhoop.

Telkens als ik mij zo voelde, dacht ik terug aan dat aangrijpende moment in de sidra waarop Mosje zijn dieptepunt bereikte. De aanleiding leek onbeduidend. Het volk was bezig met hun favoriete bezigheid: klagen over het eten. Uit valse nostalgie spraken ze over de vis die ze in Egypte hadden gegeten, en over de komkommers, meloenen, prei, uien en knoflook. Hun herinnering aan de slavernij was verdwenen. Het enige wat ze zich nog konden herinneren was de keuken. God was hier begrijpelijkerwijs zeer boos over (Bemidbar/Numeri 11:10). Maar Mosje was meer dan boos. Hij kreeg een complete emotionele inzinking. Hij zei dit tegen God:

“Waarom doet u uw dienaar dit aan? Bent u mij zo weinig genegen, dat u mij de last van heel dit volk te dragen geeft? Ben ik soms zwanger geweest van dit volk, heb ik het ter wereld gebracht? En dan wilt U mij gebieden om het in mijn armen te dragen, zoals een voedster een zuigeling draagt… Maar waar haal ik voor dit hele volk vlees vandaan? Ik alleen kan de last van dit hele volk niet dragen, dat is te zwaar voor mij. Als U mij dit werkelijk wilt aandoen, dood me dan liever meteen. Dan blijft verdere ellende mij tenminste bespaard.” (Bemidbar 11:11-15)

Dit is voor mij de maatstaf voor wanhoop. Telkens als ik het gevoel had dat ik niet verder kon, las ik deze passage en dacht: “Als ik dit punt nog niet heb bereikt, is het goed zo.” Op de een of andere manier putte ik kracht uit de wetenschap dat de grootste Joodse leider aller tijden zulke dieptepunten had ervaren. Het zegt dat het gevoel van falen niet per se betekent dat je gefaald hebt. Het betekent alleen dat je nog niet geslaagd bent. Het betekent al helemaal niet dat je een mislukkeling bent. Integendeel, falen overkomt degenen die risico’s nemen; en de bereidheid om risico’s te nemen is absoluut noodzakelijk als je, hoe minimaal ook, de wereld ten goede wilt veranderen.

Wat in Tanach opvalt is hoe de duistere kanten van de ziel zijn gedocumenteerd in het leven van enkele van onze grootste geesten. Mosje was niet de enige profeet die bad om te sterven. Drie anderen deden dat ook: Eliahoe (I Melachiem/Koningen 19:4), Jeremijahoe (Jeremijahoe 20:17-18) en Jona (Jona 4:3). [1]

De psalmen, met name die aan koning David zijn toegeschreven, zijn doordrenkt met momenten van wanhoop:

“Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” (Tehilliem/Psalmen 22:2)

“Uit de diepte roep ik tot U.” (Tehilliem/Psalmen 130:1)

“Ik hoor bij wie afgedaald zijn in het graf… U hebt mij onder in de kuil gelegd, in het duister van de diepte” (Tehilliem/Psalmen 88:5-7)

Wat de Tanach ons in deze verhalen vertelt, is buitengewoon bevrijdend. Het Jodendom is geen recept voor saaiheid of gelukzaligheid. Het is geen garantie dat je gespaard zult blijven van hartzeer en pijn. Het is niet wat de stoïcijnen zochten, apatheia, een leven zonder lijden/zonder hartstocht. Evenmin is het een pad naar nirvana, het blussen van vurige gevoelens door het ego te doven. Deze dingen hebben een eigen spirituele schoonheid, en hun tegenhangers zijn te vinden in de meer mystieke stromingen van het Jodendom. Maar die vormen niet de wereld van de helden en heldinnen van de Tanach.

Waarom? Omdat Jodendom een ​​religie is voor mensen die de wereld willen veranderen. Dat is ongebruikelijk in de geschiedenis. De meeste religies gaan over het accepteren van de wereld zoals die is. Jodendom verzet zich tegen de wereld zoals die is, in het belang van de wereld zoals die zou moeten zijn. Joods zijn betekent een verschil willen maken, levens ten goede willen veranderen, onze gebroken wereld willen helen. Maar mensen houden niet van verandering. Daarom vonden Mosje, David, Eliahoe en Jeremijahoe het leven zo moeilijk.

We kunnen precies zeggen wat Mosje tot wanhoop dreef. Hij had al eerder met een soortgelijke uitdaging te maken gehad. In het boek Sjemot/Exodus had het volk dezelfde klacht geuit:

“Had de Eeuwige ons maar laten sterven in Egypte”, zeiden ze tegen Mosje en Aharon. “Daar waren de vleespotten tenminste gevuld en hadden we volop brood te eten. U hebt ons alleen maar naar de woestijn gebracht om ons hier allemaal van honger te laten omkomen.” (Sjemot 16:3)

Mosje ervaarde die keer geen crisis. Het volk had honger en wilde eten. Dat was een legitiem verzoek.

Sindsdien hadden ze echter de twee hoogtepunten meegemaakt: de openbaring op de berg Sinaï en de bouw van de Tabernakel. Ze waren dichter bij God gekomen dan welk volk ooit tevoren. En ze leden geen honger. Hun klacht was niet dat ze geen eten hadden. Ze hadden het manna. Hun klacht was dat het saai was: “Nu hebben we onze eetlust verloren (letterlijk: “onze ziel is uitgedroogd”); we zien niets anders dan dit manna!.” (Bemidbar 11:6) Ze hadden geestelijke hoogten bereikt, maar ze bleven dezelfde weerbarstige, ondankbare, kleingeestige mensen als voorheen. [2]

Dat was wat Mosje het gevoel gaf dat zijn hele missie mislukt was en zou blijven mislukken. Zijn missie was om de Jisraëlieten te helpen een samenleving te creëren die het tegenovergestelde van Egypte zou zijn. Die zou bevrijden in plaats van onderdrukken; waardigheid zou geven in plaats van slavernij. Maar het volk was niet veranderd. Erger nog: ze hadden met de meest absurde nostalgie hun verlangen uitgesproken naar het Egypte dat ze hadden verlaten: herinneringen aan vis, komkommers, knoflook en dergelijke. Mosje had ontdekt dat het gemakkelijker was om de Jisraëlieten uit Egypte te halen dan om Egypte uit de Jisraëlieten te halen. Als het volk nu nog niet veranderd was, was het een redelijke aanname dat ze dat nooit zouden doen. Mosje staarde naar zijn eigen nederlaag. Het had geen zin meer om door te gaan.

God troostte Mosje toen. Eerst droeg Hij hem op zeventig oudsten bijeen te roepen die de lasten van het leiderschap met hem zouden delen. Daarna zei Hij hem dat hij zich geen zorgen hoefde te maken over het eten. Het volk zou spoedig vlees in overvloed hebben. Dat kwam in de vorm van een gigantische hoeveelheid kwartels.

Wat het meest opvalt aan dit verhaal, is dat Mosje daarna een veranderd man lijkt te zijn. Wanneer Jehosjoea hem vertelt dat zijn leiderschap mogelijk bedreigd wordt, antwoordt hij:

“Denk je soms dat jij voor mijn belangen moet opkomen? Legde de Eeuwige zijn geest maar op heel het volk! Profeteerde iedereen maar!” ” (Bemidbar 11:29) In het volgende hoofdstuk, wanneer zijn eigen broer en zus hem beginnen te bekritiseren, reageert hij volkomen kalm. Wanneer God Mirjam straft, bidt Mosje voor haar. Juist op dit punt in het lange Bijbelse verhaal over het leven van Mosje zegt de Tora: “Nu was Mosje een zeer bescheiden man – niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij.” (Bemidbar 12:3)

De Tora geeft ons een opmerkelijk inzicht in de psychologische dynamiek van een emotionele crisis. Als eerste wordt ons verteld dat het belangrijk is om, te midden van wanhoop, niet alleen te zijn. God vervult de rol van trooster. Hij is het die Mosje uit de put van wanhoop tilt. Hij richt zich rechtstreeks op de zorgen van Mosje. Hij vertelt hem dat hij in de toekomst niet alleen hoeft te leiden. Er zullen anderen zijn om hem te helpen. Vervolgens zegt Hij hem dat hij zich geen zorgen hoeft te maken over de klachten van het volk. Ze zouden spoedig zoveel vlees hebben dat ze er ziek van zouden worden, en dan zouden ze niet meer klagen over het eten.

Het essentiële principe hierbij is wat de wijzen bedoelden toen ze zeiden: “Een gevangene kan zichzelf niet uit de gevangenis bevrijden.” (Berachot 5b) Je hebt iemand anders nodig om je uit een depressie te halen. Daarom is het Jodendom zo nadrukkelijk van mening dat mensen niet alleen gelaten mogen worden in tijden van maximale kwetsbaarheid. Vandaar de principes van het bezoeken van zieken, het troosten van rouwenden, het betrekken van eenzamen (de vreemdeling, de wees en de weduwe) bij feestelijke gelegenheden en het bieden van gastvrijheid – een daad die “groter is dan het ontvangen van de Sjechina”. Juist omdat een depressie je isoleert van anderen, versterkt alleen blijven de wanhoop. Wat de zeventig oudsten precies deden om Mosje te helpen, is niet duidelijk. Maar alleen al bij hem zijn was onderdeel van de genezing.

Het laat ons ook zien dat het overleven van wanhoop een karaktervormende ervaring is. Pas wanneer je zelfvertrouwen tot stof is verpulverd, realiseer je je dat het leven niet om jou draait. Het gaat om anderen, om idealen en om gevoel voor opdracht of roeping. Wat telt is de zaak, niet de persoon. Dat is waar echte nederigheid om draait. Zoals de wijze uitspraak, die vaak aan C.S. Lewis wordt toegeschreven, luidt: “Nederigheid is niet minder gaan denken over jezelf; het is minder denken aan jezelf.”

Wanneer je dit punt hebt bereikt, zelfs als je dat door de meest pijnlijke ervaringen hebt gedaan, word je sterker dan je ooit voor mogelijk had gehouden. Je hebt geleerd om je zelfbeeld niet op het spel te zetten, om helemaal niet meer over zelfbeeld te denken. Dat is wat Rabbi Jochanan bedoelde toen hij zei: “Grootheid is nederigheid.” [3] Grootheid is een leven dat naar buiten gericht is, zodat het lijden van anderen belangrijker voor je is dan je eigen lijden. Het kenmerk van grootheid is de combinatie van kracht en zachtheid, die tot de meest helende krachten in het menselijk leven behoort.

Mosje geloofde dat hij had gefaald. Dat is iets om in gedachten te houden, elke keer als we denken dat we mislukkelingen zijn. Zijn reis van wanhoop naar bescheiden kracht is een van de grootste psychologische verhalen in de Tora, een tijdloze les in hoop.

[1]        Dat gold natuurlijk ook voor Job, maar Job was geen profeet, en volgens veel commentatoren was hij zelfs geen Jood. Het boek Job gaat over een heel ander onderwerp, namelijk: waarom overkomen goede mensen slechte dingen? Dat is een vraag over God, niet over de mensheid.

[2]        Merk op dat de tekst de klacht toeschrijft aan de asafsoef, het gepeupel, het uitschot, wat sommige commentatoren interpreteren als de “gemengde menigte” die zich bij de Jisraëlieten aansloot tijdens de uittocht.

[3]        Pesikta Zutrata, Ekev