Behar/Bechoekotai

Sjabbat Behar/Bechoekotai, 9 mei 2026/ 22 Ijar 5786

Wajikra/Leviticus 25: 1 – 46; 27: 29 – 34  Tanach blz. 250.

Haftara: Jirmijahoe 16:19 – 17:14;  Tanach blz. 1131 – 1132.

Vertaler: Channa Kistemaker

Coördinatie: Channa Kistemaker

Commentaar:Dr. Marjorie Lehman is hoogleraar Talmud en Rabbinica aan het Jewish Theological Seminary te New York.

Oorspronkelijke Engelse tekst

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

In het reine komen met slavernij in sidra Behar

Sidra Behar zit vol krachtige boodschappen over het bouwen van een rechtvaardige en barmhartige samenleving, met de nadruk op geboden om voor het land te zorgen, de armen te ondersteunen en arbeiders eerlijk en met waardigheid te behandelen. Toch merk ik dat sidra Behar meer ongemak oproept dan ethische inspiratie. Ik ben altijd getroffen door het moeilijke onderscheid dat het maakt tussen Jisraëlieten en niet-Jisraëlieten met betrekking tot slavernij. Met de thema’s van Pesach en de bevrijding van de Jisraëlieten uit de Egyptische slavernij in gedachten, vind ik het moeilijk te rijmen dat Wajikra 25 de slavernij van niet-Jisraëlieten toestaat, terwijl Jisraëlieten tegen een dergelijk lot worden beschermd.

Wajikra 25:39 leert ons dat arme Jisraëlieten de verantwoordelijkheid zijn van hun verwanten. De Jisraëlietische gemeenschap is verplicht om behoeftigen op te nemen en hen in hun huishouden te integreren als ingehuurde of horige arbeiders (כְּשָׂכִ֥יר כְּתוֹשָׁ֖ב יִהְיֶ֣ה עִמָּ֑ךְ), maar niet als slaven. De banden tussen hen en hun Jisraëlietische meesters worden verbroken tijdens het jubeljaar, wanneer deze dienaren (die, zoals ik herhaal, volgens Wajikra geen slaven zijn) worden vrijgelaten. Wajikra 25:43 dringt aan op een humane behandeling en verbiedt uitdrukkelijk wreed gedrag jegens hen. Passend, als herinnering aan het feit dat God de Jisraëlieten uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd (Wajikra 25:42), is het geen enkele Jisraëliet toegestaan ​​een mede-Jisraëliet die behoeftig is tot slaaf te maken. Dit staat in schril contrast met de schuldslaven van de Jisraëlieten waarnaar verwezen wordt in Sjemot 21:2 en Dewariem 15:12, die door andere Jisraëlieten gekocht en verkocht kunnen worden.

Verontrustend is dat de historische herinnering aan de Uittocht het Jisraëlietische bezit van zowel Jisraëlietische als niet-Jisraëlietische slaven niet verbiedt. Maar nog verontrustender is de nadrukkelijke stelling in sidra Behar dat Jisraëlieten voor hun arme verwanten moeten zorgen en hen als loonarbeiders moeten inzetten (Wajikra 25:39), terwijl niet-Jisraëlieten als slaven gekocht kunnen worden en voor altijd zonder recht op vrijheid gehouden kunnen worden (Wajikra 25:45). Deze tegenstelling dwingt ons een onaanvaardbaar etnisch onderscheid onder ogen te zien, waarbij Jisraëlieten die het moeilijk hebben worden opgenomen en als loonarbeiders tewerkgesteld, terwijl niet-Jisraëlieten onder alle omstandigheden tot slaaf worden gemaakt. De herinneringen aan de Egyptische slavendrijvers klinken hier voor mij door in een omgekeerd beeld van Jisraëlieten die heerschappij voeren over hun niet-Jisraëlietische buren in een geoorloofde meester-slaafverhouding. En hoewel er in Behar geen verhalend materiaal is dat beschrijft hoe deze meester-slaafverhouding er na de uittocht uit Egypte daadwerkelijk uitzag, voelt het feit dat het Bijbelse verhaal in Wajikra Jisraëlieten toestaat om wie dan ook tot slaaf te maken, buitengewoon onrechtvaardig. Zou onze bevrijding uit Egypte ons niet moeten leren dat we nooit anderen tot slaaf mogen maken, wie ze ook zijn? Doen we wel genoeg om deze passage in Behar onder ogen te zien en te erkennen dat de Jisraëlieten hebben bijgedragen aan het in stand houden van de slavernij?

Het is ongetwijfeld moeilijk voor ons om in het reine te komen met een Bijbelse tekst die een scherp onderscheid maakt tussen de behandeling van Jisraëlieten en niet-Jisraëlieten, en die slavernij bovendien toestaat. Dit heeft er inderdaad toe geleid dat sommige commentatoren verwijzingen naar slavernij in deze sidra over het hoofd zien, of deze verwijzingen rationaliseren als representatief voor een vorm van slavernij die volledig verschilt van de Egyptische slavernij. Sommigen zijn zelfs zo ver gegaan om te beweren dat de praktijk van slavernij onder de Jisraëlieten ophield te bestaan, ondanks het ontbreken van een duidelijk bijbels verbod. Maar waar brengt dat ons?

Onlangs was ik in Charleston, South Carolina, voor de sjabbatdienst in Kahal Kadosh Beth Elohim, een van de oudste synagogen in de Verenigde Staten. Daar kreeg ik de gelegenheid om na te denken over deze verzen in Behar en te overwegen hoe ze ons vandaag de dag zouden kunnen aanspreken. De gemeente dateert uit 1749 en het synagogegebouw uit 1792. Na een brand in Charleston in 1838 werd het herbouwd en in 1840 vervangen door het huidige gebouw. ​​Het majestueuze gebouw met zuilen aan Hassel Street, middenin het centrum van Charleston, is een architectonisch wonder en een bewijs van een Joodse gemeenschap met diepe wortels in het Zuiden. Tijdens de herinwijdingsceremonie in 1840 zei de opperrabbijn, Rabbijn Gustavus Poznanski: “Deze synagoge is onze Tempel, deze stad ons Jeruzalem.” En toch, zoals ik al snel zou ontdekken, werd de bouw en herbouw van dit gebouw, net als bij veel andere gebouwen in Charleston, uitgevoerd door slaven.

De afgelopen jaren heeft Kahal Kadosh Beth Elohim openlijk haar complexe en pijnlijke band met de slavernij van zwarte Amerikanen erkend. Gedurende de 18e en 19e eeuw bezaten de Joden van Charleston slaven, vochten ze aan de zijde van de Confederatie tegen de Unie en predikten ze vanaf de kansel dat de Bijbel het bezit van slaven rechtvaardigde. Deze erkenning leidde in 2021 tot de plaatsing van een plaquette buiten de synagoge, die begint met een citaat uit de Misjna Joma 8:9 over de noodzaak van verzoening tussen volkeren. Deze verwijzing, afkomstig uit het rituele kader van Jom Kippur dat draait om verzoening, definieert ethische harmonie als geworteld in het herstel van relaties, voortkomend uit een proces van het erkennen van onze fouten in de hoop dat vergeving volgt van degenen die we onrecht hebben aangedaan.

Zo ook met deze verzen in Wajikra. Net als de gemeenschap van Kahal Kadosh Beth Elohim moeten we de onrechtvaardigheden en morele tekortkomingen benoemen van Bijbelse passages die de weg vrijmaakten voor het voortbestaan ​​van de slavernij, lang na de uittocht uit Egypte. De herinnering aan de uittocht uit Egypte moet niet alleen verbonden zijn met het idee van vrijheid, maar ook met de herinnering aan onze eigen misstappen. Ethisch lezen van de Torah vereist een kritische erkenning van de verontrustende teksten erin, in de hoop dat we vervolgens onze eigen onvolkomenheden kunnen erkennen. Reflectief omgaan met onze Bijbelse teksten maakt ons betere mensen. Het stelt ons in staat onze eigen morele tekortkomingen te zien, zodat we in vruchtbare relaties kunnen leven met degenen die we mogelijk hebben geschaad.