Choekat

Sjabbat Choekat, 5 juli 2025/ 9 tamoez 5785

Bemidbar/Numeri 21: 4 – 34, 22:  1; Tanach blz. 311 – 314.

Haftara: Jehosjoea 13: 1 – 14; Tanach blz. 457 – 458.

Vertaler:         Eddy Robles

Coördinatie:   Harry Polak

Commentaar:  emeritus rabbijn Steven Kushner, Temple Ner Tamid, Bloomfield, New Jersey 

Oorspronkelijke Engelse tekst

 

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

Heilige koe

Het is de meest raadselachtige mitswa in de hele Tora: de para adoema, de “rode vaars”. Als iemand in contact komt met een menselijk lijk, moet hij of zij zich ritueel laten reinigen. De “verontreinigde” persoon dient vervolgens besprenkeld te worden met een mengsel van vers water (letterlijk “levend” water, maiem chaiem) en de as van een geslachte en verbrande “rode” koe die absoluut geen gebreken had en nooit een juk heeft gedragen. Maar hier is de paradox: terwijl het mengsel van deze “zuiveringswateren” (mei nida) de persoon reinigde die ritueel onrein was geworden door contact met een lijk, zouden degenen die de koe verbrandden, die in contact kwamen met de as en het mengsel over de “verontreinigde” persoon strooiden, in het proces onrein worden. Met andere woorden, het ritueel rein maken van één persoon maakt de bezorger van reinheid onrein.

De kern van dit alles zijn de begrippen tahor en tamei, “zuiver en onzuiver”. Het zijn toestanden van zijn, die – meen ik – iemands lichamelijke relatie tot “leven” en “niet-leven” weerspiegelen. De dingen die iemand “onzuiver” (tamei) maken, zijn contact met dode dieren en dode mensen en een aantal verschillende soorten kruipende dieren; huidziekten die gepaard gaan met een versterving van het vlees (tsaraat) en contact met soortgelijke gezwellen op levenloze voorwerpen; menstruatie en zaadlozingen; en bevalling. Geen van deze toestanden van zijn, is permanent, maar ze vereisen allemaal “zuivering”. Met uitzondering van een bevalling (wat ook zo’n Bijbels raadsel is), lijkt elk van deze “onzuiverende” dingen te maken te hebben met niet-leven, een toestand die het individu zou diskwalificeren van deelname aan het leven van de heiligen. En voor het oude Israël was niets belangrijker dan in aanmerking te komen voor deelname aan de heilige gemeenschap.

Om dat te kunnen, moest men ritueel zuiver (tahor) zijn – dat wil zeggen, “van het leven”.

Misschien zijn deze begrippen van rituele reinheid en onreinheid vreemd, zelfs vervreemdend, voor onze moderne gevoeligheden. Maar het is evengoed mogelijk dat ons ongemak met dergelijke lichamelijke toestanden een ontkoppeling weerspiegelt waarvan we er goed aan zouden doen, om die te herstellen, want de Tora lijkt te wijzen op fundamentele realiteiten van de menselijke conditie, waarvan we ons hebben verwijderd.

Laten we eerlijk zijn. De dood is taboe. Sterker nog, vrijwel alle lichamelijke processen zijn dat. Toch hadden onze voorouders geen moeite met het omgaan met de normale schommelingen van het leven. Integendeel, zij zagen de goef (het lichaam) en nesjama / nefesj /roeach (levenskracht) voor wat ze zijn: diepe mysteries die ons verbinden met G’d. Onze staat van zijn was de essentiële component in onze verbondsrelatie met G’d. Net zoals het offerdier zonder smet moest zijn, zo moeten wij, om deel te nemen aan het leven van de verbondsgemeenschap van heiligheid, in een staat van rituele reinheid verkeren. Onze verbinding met G’d is een collectieve. We zitten hier allemaal samen in. Iedereen moet op zijn best zijn, zowel fysiek als spiritueel. We moeten voluit leven.

Zijn we vandaag de dag anders? We praten misschien niet graag over lichamelijke uitscheidingen, we kunnen ons misschien niet vinden in al het gedrag – netilat jadajiem (handen wassen voor de maaltijd), mikve (ritueel bad), tahara (reiniging van het lichaam voor de begrafenis) – dat hoort bij de tradities rond rituele reinheid, maar toch leven we ons leven met grote aandacht voor onze fysieke, emotionele en spirituele staat van zijn. We sporten. We volgen een dieet. We mediteren. We weten hoe het is om je “niet lekker” te voelen en we doen er alles aan om er weer “bovenop te komen”. We doen dat alleen niet per se binnen de context van een heilige gemeenschap. Maar misschien kunnen we hier iets van leren uit de Tora.

De rabbijnen hebben deze choek, “wet” (waar de naam van de portie van deze week, Choekat, van is afgeleid) geïdentificeerd als een wet waarvan een redelijk begrip menselijkerwijs niet te vatten is. Maar het is misschien niet echt zo ongrijpbaar als we denken. Misschien schuilt er een grote wijsheid en inzicht in deze schijnbaar bizarre praktijk. Hoewel we misschien niet uitkijken naar rode koeien in onze lokale weilanden (wat tijdverspilling zou blijken, aangezien de verwoesting van de Tempel dit ritueel overbodig maakte), denk ik dat de onderliggende dynamiek van deze “zuiveringswateren” ons vandaag de dag nog steeds aanspreekt.

Ik ga me niet mengen in de discussie over het al dan niet vaccineren van onze kinderen, maar ik ben altijd gefascineerd geweest door hoe we onszelf beschermen door de ziekte in ons lichaam te injecteren, hoe het gif het geneesmiddel is. Hoe bacteriën ons beschermen. En op dezelfde manier kan ik de parallel niet ontlopen met de para adoema, hoe de as van een dood dier een door een lijk verontreinigd individu ritueel rein maakt en hoe degene die de reiniging uitvoert, daardoor onrein wordt. Maar nog belangrijker, wat essentieel is voor dit ritueel, is dat de personen die de ‘reiniging’ uitvoeren – degene die de koe slacht, degene die het karkas verbrandt, degene die de as verzamelt, degene die de as mengt en degene die de as strooit – geen priesters zijn, maar gewoon leden van de gemeenschap. De Tora is er inderdaad duidelijk over, het is een ritueel dat zich richt op de gemeenschap: “Iemand die rein is, moet de as van de koe verzamelen en op een reine plaats buiten het kamp leggen. Daar moet de as bewaard worden, omdat er reinigingswater mee moet worden bereid dat de Jisraëlieten van zonde reinigt.” (Numeri 19:9). Simpel gezegd, dit proces van de overgang van “niet-leven” terug naar “leven” is iets wat we voor en met elkaar doen. En weet je wat? We doen het nog steeds. Altijd.

Telkens wanneer leden van onze synagoge in rouw gaan, komt de gemeenschap naar buiten om de staat van niet-leven van de rouwenden over te nemen. We zitten bij hen. We bidden met hen. We omhelzen hen en houden hun handen vast. En we begeleiden hen zachtjes terug naar het leven. We brengen hen eten. We bevestigen hun recitatie van de Kaddisj door Amen te zeggen. Sommigen van ons staan bij hen. Sommigen reciteren de Kaddisj met hen.

En zo nemen we – ten minste gedeeltelijk – hun staat van niet-leven over. We passen ons dagelijks leven aan. We vergezellen hen naar de begraafplaats. We geven onze avondactiviteiten op. We nemen hun pijn op ons. We laten de dood onze staat van zijn binnendringen. We dompelen ons onder in de spirituele wateren van leven en dood. We transformeren om anderen te helpen transformeren. We worden een gemeenschap.

Wat ons terugbrengt bij de koe. De rode koe. Het is een wezen geworden van intense interesse en mysterie binnen de Joodse traditie. Sommigen zeggen dat die ongelooflijk zeldzaam was. Anderen zeggen dat die niet echt rood was, maar gewoon bruin, maar zonder enige onvolkomenheid (zie Misjna, Para 2.5). Sommigen zeggen dat het een symbool was van de erfzonde van het Joodse volk, het Gouden Kalf (zie Bemidbar Rabba, 19.8). Ik vind het gewoon zo overduidelijk dat… het een koe was. Een moederlijk, leven gevend wezen wiens eigen levenskracht werd opgegeven zodat de gemeenschap zich kon herstellen van de onreinheid van het niet-leven. En hoewel ik persoonlijk dankbaar ben dat we verder zijn gegaan vanaf het slachten van dieren als middel om ritueel betekenis in ons leven te vinden, ben ik niet bereid de betekenis te verliezen die onze voorouders impliciet begrepen binnen de context van deze nu vreemde rituelen. De grote religieonderzoeker Huston Smith noemde ze “vergeten waarheden” (1).  Misschien doen we er goed aan om ze te onthouden. Ze raken de kern van onze zoektocht naar de heiliging van ons leven.

(1) Huston Smith, Forgotten Truth: The Common Vision of the World’s Religions (New York: HarperCollins, 1976)