Drasja van sjabbat dvarim

Drasja Dvarim uitgesproken door Joram Rookmaaker op 1 augustus 2025

We zijn terechtgekomen in de somberste periode van het Joodse jaar, vlak voor Tisja Be’av. Geheel los van de actualiteit in de wereld, de 9de van de maand av, aanstaande zondag, is de jaarlijks terugkerende treurdag vanwege vele dramatische gebeurtenissen in onze geschiedenis – en in het bijzonder de verwoesting van de twee tempels.

Maar laat ik er niet op vooruit lopen, vandaag is het sjabbat en zoals u weet hecht ik eraan sjabbat qua feestdag intact te houden en me niet teveel mee te laten slepen in somberheid. Deze sjabbat beginnen we ook met het laatste boek van Tora, dvarim. Mosjee spreekt het volk toe vlak voordat ze het land intrekken.

Spoiler: er zullen diverse veldslagen volgen.

Maar daarover zometeen meer. We zijn in sjoel met elkaar binnen de context van de Joodse traditie. Er is veel aan de hand in de wereld en in het bijzonder in het Midden Oosten. En het houdt de meesten van ons ongelooflijk bezig. Er zijn meningen, er is bezorgdheid, er zijn ruzies, meningsverschillen, apathie en onzekerheid, er is vechtlust, obsessie, verdriet, angst. Sommigen kruipen weg in een holletje, om de wereld even buiten te sluiten, op vakantie in de hoop dat het even de zinnen verzet, anderen duiken erin en erop – nog meer appgroepen, nog meer rabbit-holes. We zoeken naar comedy, podcasts, muziek. Maar aan de schier oneindige stroom van verdrietig nieuws uit de regio lijkt geen einde te komen. En dan heb ik het nog niet eens over het Joodse leven hier bij ons (en klopt het dat het lijkt dat in de zomer de intensiteit hier in ieder geval wat lijkt te luwen?)

Maar hoe kunnen we hier nou het beste mee omgaan? Dat is voor ons allemaal een vraag. Ook voor ons als rabbijnen. Verklaringen afgeven? Standpunten innemen? Het morele kompas zijn? Kanten kiezen? En als we het niet doen, zijn we dan slap en laf? Ga er vanuit dat recht en onrecht in de wereld precies in balans zijn, zegt onze traditie, en jouw of mijn handelen kan het net door laten slaan, naar goed óf naar slecht. Dat is een enorme verantwoordelijkheid.

Dat brengt mij op het dilemma van de regenjas.

U bent hier, dus niet op vakantie in een warm en droog land. Ik neem u mee in het dilemma van de regenjas. Ik zit op de fiets, op weg van a naar b. Er komt stortregen, met bakken uit de hemel. Behoorlijk bedreigend voor mijn fysieke welzijn, zo’n regenbui. Ik wil graag helemaal droog aankomen op mijn bestemming. Wat doe ik? Ik kies een stevige plastic poncho. Gaat niets doorheen. Er ontstaat

het volgende probleem: de regen komt er weliswaar niet door, maar van binnen is het stikbenauwd en tenzij ik stil blijf staan kom ik bezweet op mijn bestemming.

Ga ik voor de meer ademende variant, wat aantrekkelijk is, dan houd ik in de meeste gevallen de regen niet buiten.

Het is het dilemma waar religie en ideologie tegenaan lopen. Het waardensysteem vormt een morele regenjas. Hoe sluitender dat is, hoe beter het de bedreigingen van buiten tegen houdt. En dat klinkt aantrekkelijk, zeker in tijden van morele stortbuien. Of zoals Hannah Arendt zegt: “Ideologisch denken ordent feiten in een absoluut logische procedure die begint van een premisse waarin we geloven, waarvan vervolgens alles wordt afgeleid.” Dat wil zeggen, stelt Arendt, “dat een ideologie uitgaat van een consistentie die verder nergens in de werkelijkheid voorkomt.”

Met een ideologisch, of zo je wilt, een religieus uitgangspunt, kan vervolgens alles verklaard worden. Alles kan voorspeld en verklaard worden. Het verleden, het heden en de toekomst. Hoe we ons moeten opstellen en met wie we moeten omgaan. Waarom de mensheid worstelt en hoe we die worsteling kunnen stoppen. Wie schuld en wie lof verdient. Alle ‘hoe’s’, ‘waaroms’ en ‘wie’s’ worden definitief beantwoord. Dit laatste is een citaat van Leor Zmigrod, uit het boek The Ideological Brain.

Onze ideologische of religieuze poncho kan de morele stortbui buiten houden. Maar de prijs is onherroepelijk dat we zelf verstikt worden. Als we het gevoel hebben aangevallen te worden, sluiten we ons hermetisch af. Maar daarvoor betalen we een prijs. Het lastige is ook dat religie, ook de onze, geen eenduidig antwoord geeft.

Laten we alleen al kijken naar de parasja van de week. Het begint met het korte voorbeeld van de maapilim, degenen die dramden en op eigen houtje vast het land in wilden gaan terwijl de Eeuwige had bepaald dat het volk nog 40 jaar door de wildernis moest zwerven. Het lot van deze drammers wordt in onze parasja beschreven: de Amoriten hakten ze in pan.

Als je denkt dat we hieruit moeten leren dat we geen land met geweld moeten innemen, dan vergis je je. Want een hoofdstuk later lezen we hoe de stammen wel de opdracht kregen diverse partijen die hen in de weg zaten geheel van de aardbodem te doen verdwijnen. Koning Sichon van Chesjbon kreeg de rekening (pun intended) en over Koning Og van Basjan staat dat de Eeuwige hem aan ons overleverde en dat we hem aanpakten tot er niemand meer overbleef. Niks wang toekeren. En dan staat het er 3:18:

Adonai eloheechem natan lachem et haarets hazot lerisjta, de Eeuwige heeft jullie dit land gegeven als bezitting, ga het gewapend innemen.

Ach, en zo een strijd kan niet teveel morele neerslag verdragen. Want dan verlies je.

De parasja brengt ook in gedachten de meraglim: de verspieders. In tegenstelling tot de maapiliem waren zij te afwachtend, te onzeker: de verspieders durfden destijds het land juist niet in omdat ze dachten dat ze de strijd niet zouden kunnen winnen, terwijl de maapiliem juist vooruit trokken zonder dat ze daar toestemming van de Eeuwige voor hadden.

Het gevolg was helder: het volk bleef nog 40 jaar zwerven, en het verdriet daarover is ook het verdriet dat we op Tisja Be’av herdenken. Maar het meest centraal staat nog wel de verwoesting van de tempels. Ook daar was de Eeuwige op een gegeven moment niet meer aanwezig. Volgens de profeten was dat omdat we hem hadden weggejaagd door ons gedrag.

Jesaja zegt in de parasja van deze sjabbat (1:2)

Adonai diber, baniem gidalti weromamti wehem pasjoe bi.

Ik heb kinderen grootgebracht, zegt de Eeuwige, maar ze zijn in opstand gekomen tegen me.

Het is de logica van onze religieuze traditie: religieus verval is ook en vooral onze eigen verantwoordelijkheid. Er is niet een soort wetmatigheid van verwoesting, en we kunnen de ander niet de schuld geven – want de ander is een instrument in een proces waar wij ook een rol in hebben. De boodschap resoneert steeds luider nu we dichterbij de Hoge Feestdagen komen.

Als de Eeuwige niet in ons midden is, dan zijn onze activiteiten zinloos, dan zijn ze betekenisloos. Dan zijn we slechts instinctmatig handelende wezens, geleid door angst en verlangen. Maar het beroep op de Eeuwige kan tegelijk nooit een excuus zijn voor wat we doen. We kunnen immers met een beroep op de Eeuwige alles rechtvaardigen.

Dat brengt me terug bij de poncho van de moraliteit. Er gaat niets doorheen dat van buiten komt, maar het werkt verstikkend. Ideologie en religie mag geen all or nothing zijn. Dat betekent niet dat ik adviseer om zonder jas de regen in de wereld te trotseren. Helemaal niet. Onze Joodse jas bevalt me doorgaans prima. Maar het loont te moeite om stevig te investeren in eentje die ook echt ademt. Ook als dat betekent dat we de regen voelen.

Anders wordt het allemaal wel heel benauwd.