Sjabbat 16 augustus 2025/22 Av 5784, Ekev, Dewariem/Deut. 10:12-22 – 11:1-25
Tanach blz. 372 – 375
Haftara: Jesjajahoe 49:14 – 51:3
Tanach blz. 885 – 888
Vertaler: Bram Lagendijk
Commentaar: Elizabeth Sacks is senior chazzan bij Temple Emanuel in Denver, Colorado.
Use the link to read or listen to the original text in English.
__________________________________________________
Niet bij brood alleen
In sidra Ekev lezen we: “Een mens kan niet alleen van brood leven.” (Dewariem 8:3)
Dit korte citaat, dat te vinden is op inspirerende posters, T-shirts en als titel van talloze kookboeken, vormt een van de bekendste uitspraken in Ekev en in het boek Dewariem als geheel. Gewoonlijk wordt hiermee bedoeld dat louter fysiek voedsel niet voldoende is voor een compleet leven. Mensen hebben ook behoefte aan en verlangen naar geestelijk en cultureel voedsel. Veel Joodse commentatoren hebben opgemerkt dat deze uitspraak in samenhang bijna het tegenovergestelde betekent van onze gebruikelijke opvatting. Mensen kunnen overleven met andere voedingsmiddelen dan brood. Of zoals rabbijn W. Gunther Plaut opmerkt in zijn commentaren bij deze afdeling: “God leerde u in de woestijn dat in uw behoeften kon worden voorzien door welke middelen God ook verkoos” – en niet alleen door brood (The Torah: A Modern Commentary, revised edition. New York: CCAR Press, 2005. p. 1,241).
Zowel de gebruikelijke als de gangbare Joodse interpretatie van deze uitspraak richt zich niet op het fysieke. Toch besteedt sidra Ekev veel tijd aan het benadrukken van en het wijzen op het lichamelijke. De tekst van de sidra gaat uitvoerig in op het belang van lichamelijkheid. We worden overspoeld met verwijzingen naar ons lichaam:
“Hij zal u zijn liefde betonen, u zegenen en u talrijk maken. Zijn zegen zal rusten op de vrucht van uw schoot…” (Dewariem 7:13)
“de grootse daden die u met eigen ogen hebt gezien…” (Dewariem 7:19)
“Hij liet u honger lijden en gaf u toen manna te eten… Veertig jaar lang raakten uw kleren niet versleten en zwollen uw voeten niet op.” (Dewariem 8:3-4)
“Wanneer u volop te eten hebt en mooie huizen bouwt om in te wonen…” (Dewariem 8:12)
“Elk stuk grond dat uw voet zal betreden is voor u.” (Dewariem 11:24)
Mosje benadrukt ook zijn eigen lichamelijke handelingen wanneer hij vertelt over zijn rol in het verhaal van het gouden kalf dat in deze afdeling wordt verteld:
“Veertig dagen en nachten bleef ik op de berg, zonder iets te eten of te drinken.” (Dewariem 9:9)
Ik heb toen in uw bijzijn de twee platen die ik in mijn handen had, stukgesmeten.” (Dewariem 9:17)
“Het bewijs van uw wangedrag, het gouden kalf dat u gemaakt had, heb ik verbrand en verpulverd; het stof dat overbleef heb ik in de bergstroom gegooid.” (Dewariem 9:21)
Zelfs de algemene lichamelijke beelden komen in deze sidra in overvloed voor. We lezen over Gods “machtige hand en uitgestrekte arm” (Dewariem 7:19; 11:2), hoe wij een “hardnekkig volk” zijn (Dewariem 9:6; 9:13; 10:16) en dat we “Gods weg moeten volgen… de weg die Hij ons wijst” (Dewariem 8:6; 10:12).
Deze herhaalde nadruk op het lichamelijke herinnert ons er subtiel aan dat we onze traditie niet alleen intellectueel en spiritueel moeten beleven, maar dat we onze verbondenheid ook letterlijk moeten belichamen. We moeten onze relatie met God en met elkaar versterken met onze handen, ogen, mond en voeten.
De Talmoed herinnert ons vaak aan het belang van ons fysieke welzijn, en aan de noodzaak van de zorg voor ons lichaam voor een completer leven. In Bava Batra 12b lezen we: “Rabbi Avdimi uit Haifa zegt: Voordat iemand eet en drinkt, heeft hij twee harten, wat betekent dat zijn hart onrustig is omdat hij wordt afgeleid door honger. Maar nadat hij eet en drinkt, heeft hij nog maar één hart.” Rabbi Avdimi leert ons dat we aandacht moeten besteden aan onze honger als we ons willen concentreren.
In Sjabbat 152a lezen we: “De wijzen leerden in naam van Rabbi Meir: Vermaal voedsel met je tanden en je zult in je voeten de kracht vinden om je lichaam te dragen.” Rabbi Meir benadrukt dat we onszelf moeten voeden als we vooruit willen komen in het leven.
En tot slot verduidelijkt Sanhedrin 110b deze passage vanuit Malachi: “Want zie, de dag komt, die brandt als een oven, en alle hoogmoedigen en allen die slecht handelen, zullen als stro zijn; en de dag die komt, zal hen verbranden, zegt de Eeuwige, zodat hen wortel noch tak resten” (Malachi 3:19). De Talmoed geeft aan dat ‘wortel’ verwijst naar de ziel en ‘tak’ naar het lichaam. Terwijl onze ziel vergeleken kan worden met de wortels van een boom, zijn de takken ons lichaam. Hier stelt de Talmoed dat, hoewel onze ziel ons grondvest en voedt, ons lichaam ons letterlijk in de wereld vooruitbrengt.
Door de lichamelijke kant van onze traditie te accentueren, vult sidra Ekev de intellectuele en spirituele facetten van onze relatie met God aan, die eerder in Dewariem werden onderzocht aan de hand van de Tien Geboden en het Sjema. Deze drie delen – de Tien Geboden, het Sjema en sidra Ekev – vormen samen de tweede toespraak van Mosje in het boek Dewariem (Dewariem. 4:44-11:25), zoals verwoord in de diepgaande interpretatie van Dewariem in The Torah: A Modern Commentary, revised edition (pp. 1184-1227). In deze tweede toespraak inspireert en daagt Mosje ons uit om elk aspect van onze traditie te overdenken en erop te reflecteren: het intellectuele, het spirituele en het fysieke.
