Sjabbat Emor, 17 mei 2025/ 19 ijar 5785
Wajikra/Leviticus 23: 23 – 44, 24: 1 – 23; Tanach blz. 249 – 250.
Haftara: Nechèmja 8: 13 – 18, 9: 1 – 5; Tanach blz. 1683 – 1684.
Vertaler: Eddy Robles
Coördinatie: Harry Polak
Commentaar: rabbijn Shimon Felix, was directeur van de Bronfman Youth Fellowships in Israël
Use the link to read the original text in English.
_________________________________________________
De Omerperiode – Tijd als tekst
Onze veranderende viering van de periode tussen Pesach en Sjawoeot weerspiegelt onze gevoeligheid voor de realiteit van onze geschiedenis
In de Tora-lezing van deze week, Emor, lezen we over de Joodse kalender – de verschillende feestdagen en hun rituelen. Een van de periodes van het jaar waaraan we speciale aandacht moeten besteden, is de periode waarin we ons momenteel bevinden – de periode van Sefirat Ha’Omer – het tellen van de Omer. De Tora vertelt ons dat we vanaf de tweede dag van Pesach zeven weken moeten tellen – 49 dagen. Aan het begin van deze periode brengen we een graanoffer, bestaande uit een maat gerst, een zogenaamde “omer”. Vijftig dagen later, aan het einde van de periode, op de feestdag Sjawoeot, brengen we nog een graanoffer, genaamd de twee broden, gemaakt van tarwe. Het brengen van de graanoffers en het tellen van de 50 dagen tussen Pesach en Sjawoeot lijken duidelijk een soort landbouwfeest te zijn; een manier om G’d te danken, tijdens de periode van de voorjaarsgraanoogst, voor het voedsel dat hij ons gegeven heeft.
Vooruitblik op de oogst
Het tellen lijkt te corresponderen met een gevoel van verwachting, met ons vooruitkijken, vanaf het begin van deze periode, naar een goede oogst. De Tora lijkt te willen dat we ons niet alleen verhouden tot het graan en het voedsel dat we ervan zullen produceren, maar ook tot het tijdsbestek waarin dit alles gebeurt – de dagen tellen en zo de dimensie van tijd zelf meenemen in de ervaring van de oogst en de dankzegging.
De rabbijnen gaven deze periode echter een andere betekenis. Als je de 50 dagen vanaf Pesach – de uittocht uit Egypte – telt, kom je bij de dag waarop het volk Israël de Tora ontving op de berg Sinai. De rabbijnen verklaarden dus dat die dag, Sjawoeot, niet alleen een graanfeest is, en dat de 49 dagen durende Omerperiode niet alleen een periode van landbouwkundige verwachting en dankzegging is, maar dat dit bovendien de periode is waarin het Joodse volk, na het verlaten van Egypte, vol verwachting uitkeek naar de aankomst op de berg Sinai en het ontvangen van de Tora.
Ook wij, in de dagen tussen Pesach en Sjawoeot, dienen uit te kijken naar en ons voor te bereiden op het ontvangen van de Tora, wat we vieren op Sjawoeot. Zo veranderde de ervaring van deze 50 dagen, van een volledig agrarische naar één die zich ook richtte op geestelijke kwesties – de goddelijke openbaring en het ontvangen van de wet op de berg Sinai.
Eeuwenlang was dit de dubbele aard van de Omerperiode: het agrarische aspect en de verbinding met het ontvangen van de Tora. In het jaar 135 n.d.g.j, zo’n 65 jaar na de verwoesting van de Tweede Tempel door de Romeinen, sloegen de Romeinen de opstand onder leiding van Shimon bar Kochba neer.
Gedurende deze periode, zo vertelt de Talmoed ons, leden de leerlingen van rabbijn Akiva, een van Bar Kochba’s aanhangers, aan een plaag, waaraan duizenden mensen stierven. De traditionele reden voor de plaag is dat het een goddelijke straf was voor het feit dat de leerlingen elkaar niet voldoende respect betoonden. Sommigen hebben gespeculeerd dat de sterfgevallen in feite verband hielden met de Bar Kochba-opstand. In ieder geval vond dit plaats tijdens de Sefirat Ha’Omer-periode. Als gevolg hiervan veranderde het Joodse volk opnieuw de aard van deze periode en werd het een tijd van rouw – geen bruiloften, geen feesten, geen knipbeurten – ter nagedachtenis aan de leerlingen van rabbijn Akiva. De 33e dag van de Omer, bekend als Lag Ba’Omer, werd gevierd als een minder belangrijke feestdag, omdat op die dag de pest verdween.
Lag Ba’Omer heeft zich vervolgens ontwikkeld tot een dag waarop in verschillende Joodse gemeenschappen wereldwijd de dood van een aantal tsaddikim (rechtvaardige mannen) op feestelijke wijze wordt herdacht. De bekendste hiervan is Shimon bar Yochai, die in het huidige Israël op Lag Ba’Omer in Meron, buiten Safed (Sfat), wordt geëerd met een Woodstock-achtige bijeenkomst van een paar honderdduizend mensen per jaar. Overal in Israël worden op de vooravond van Lag Ba’Omer vreugdevuren aangestoken. De kinderen in mijn buurt struinen de straten al af naar ongewenste (of soms “we nemen aan dat dit waarschijnlijk niet zo gewild is”) stukken hout om die avond te gebruiken.
De Omer en het zionisme
Bijna twee millennia lang, vanaf het midden van de tweede eeuw, werd de Omerperiode op deze manier beleefd: als een treurige periode waarin vreugdevolle activiteiten werden ingeperkt, onderbroken door het kleine feest Lag Ba’Omer. Totdat op 5 mei 1948 David Ben-Gurion aankondigde dat de Joodse natie in Israël het verdelingsplan van de Verenigde Naties accepteerde en een staat uitriep. 5 mei valt samen met de Sefirat Ha’Omer-periode, wat voor religieuze Joden een raadsel opleverde. Was Jom Ha’atzmaoet (Israëls Onafhankelijkheidsdag), de dag waarop Israël als moderne staat werd geboren, belangrijk genoeg, religieus genoeg, om de rouwgewoonten van de Omer tegen te gaan? Met andere woorden: zouden we de Israëlische Onafhankelijkheidsdag als feestdag kunnen vieren, ook al valt hij in de treurige Omerperiode?
Het antwoord op deze vraag hangt af van wat voor soort Jood u bent. Religieuze zionisten vieren de dag als een feestdag en onderbreken daarmee voor een dag de rouwgebruiken van de Sefira (telperiode). Veel ultraorthodoxe joden negeren deze dag, omdat ze de moderne seculiere staat Israël niet waardig achten voor religieuze erkenning, of, erger nog, als een negatieve ontwikkeling. Voor hen is de dag slechts een zoveelste treurige dag van Sefirat Ha’Omer.
Negentien jaar later, tijdens de Zesdaagse Oorlog, toen Israëlische troepen de Oude Stad aanvielen om de Jordaanse kanonnen die het Joodse West-Jeruzalem beschoten tot zwijgen te brengen en de Oude Stad na negentien jaar onderdrukkend Jordaans bewind te bevrijden, werd een andere feestdag gecreëerd: Jom Jerushalayim – Jeruzalemdag. Ook deze viel in de Omerperiode, wat voor traditionele Joden dezelfde problemen opleverde en vrijwel dezelfde reacties opriep als Jom Ha’atzmaoet.
Ik wil graag een vergelijking maken om iets belangrijks aan te kaarten dat hier volgens mij aan de hand is. Joodse teksten zijn, net als alle andere teksten, onderhevig aan corruptie. Schrijvers en kopiisten maken fouten, er ontstaan type- en drukfouten, de fysieke kwaliteit van het manuscript of boek verslechtert.
Vaak komt men bij het bestuderen van een tekst, vooral een oude, een van deze fouten tegen. De lezer kan er nu voor kiezen om conservatief te zijn en zich te onderwerpen aan de kracht en autoriteit van het ontvangen woord. Hij kan zijn eigen beoordeling van de betekenis van de tekst negeren, zich schikken naar de eerdere traditie en deze als waar accepteren, zelfs als het hem of haar een fout lijkt. Een alternatief is om radicaal en innovatief te zijn en simpelweg het aanstootgevende woord of de zinsnede te schrappen of door te strepen, en er iets voor in de plaats te stellen dat hij of zij als correct ervaart.
De Joodse gewoonte is om geen van beide uitersten te omarmen. We stellen de gecanoniseerde tekst niet boven ons eigen gevoel en begrip, en laten wat fouten lijken intact. Evenmin wissen, wijzigen of schrappen we de traditionele versie, waardoor we voorrang geven aan ons begrip van wat wel of niet logisch is.
Wat we doen is dit: we laten de tekst zoals hij is en brengen de voorgestelde correctie aan op de zijkant van de pagina, of als voetnoot onderaan. Op die manier gaat er niets verloren. Wie weet? Wat voor ons een fout, een drukfout, een fout van een schrijver lijkt, kan in feite correct zijn, of op zijn minst interessant en moet bewaard blijven. Dit is een van de redenen waarom zoveel Joodse boeken er zo ingewikkeld uitzien, met addenda en aantekeningen rondom de centrale tekst; we wissen nooit iets. We censureren nooit, en bij die weinige historische gelegenheden waarop we dat wel hebben geprobeerd, werden we ofwel door de bredere Joodse gemeenschap geveto’d, ofwel hebben we er zelf spijt van gehad. We respecteren alle versies die tot ons zijn gekomen. We laten ze echter niet on-onderzocht, onaangetast door onze ervaring en gevoeligheid. We geven er commentaar op, discussiëren erover, drijven er de spot mee, maar we wissen ze niet uit.
De Sefirat Ha’Omer-periode lijkt mij een vergelijkbare dynamiek te bezitten. Aan de ene kant zou je je gemakkelijk kunnen voorstellen dat een volk besluit dat, zodra hun traditie deze periode een bepaald karakter heeft gegeven, dat dan zo is. Dat zou de onveranderlijke aard blijven van de manier waarop we die 50 dagen beleven. De Tora is immers duidelijk over de inhoud van de Omer-periode: het is een agrarische periode.
En toch besefte het Joodse volk dat andere gebeurtenissen, en onze reacties daarop, niet door dit feit uit ons leven konden worden verbannen. Toen men zich realiseerde dat deze periode ook een andere dimensie, een andere realiteit in zich droeg, namelijk die van het ontvangen van de Tora, aarzelden de rabbijnen dan ook niet om die te integreren in de manier waarop deze periode wordt ervaren. Eeuwen later, toen de leerlingen van rabbijn Akiva door een tragedie werden getroffen, aarzelden de rabbijnen opnieuw niet om op die realiteit te reageren en de aard van onze beleving van de Sefira-periode te veranderen.
Cruciaal is echter dat het Joodse volk ook nooit iets heeft uitgewist. De recentere gebeurtenissen die zich tijdens de Omer-periode voordeden, en onze reacties daarop, mochten de oudere nooit overschaduwen; ze leven, als commentaren en addenda op een pagina van de Talmoed, naast elkaar, misschien wel strijdend om onze aandacht, maar krijgen allemaal evenveel tijd. Deze openheid voor de realiteit van onze geschiedenis, deze bereidheid om gebeurtenissen te zien en er gezamenlijk op te reageren zoals ze zich in de echte wereld voordoen, en niet alleen om de wereld te zien door het prisma van voorbestemde inzichten, is, geloof ik, een bijzonder Joods genie. De manier waarop we ons tot de tijd verhouden, is veelgelaagd. Ons verleden, ons heden, onze toekomst, alles is hier, bij ons. Niets ouds wordt vergeten; niets nieuws wordt genegeerd. Nieuwe gebeurtenissen, soms tegenstrijdige, worden opgenomen in ons persoonlijke en gemeenschappelijke bewustzijn, terwijl we proberen onze rouw om oude tragedies in evenwicht te brengen met onze viering van nieuwe triomfen.
Ik denk soms dat die elementen van de Joodse gemeenschap die, om welke reden dan ook, vastzitten in oude, bekrompen, onveranderlijke visies op de Joodse geschiedenis en het Joodse leven, er op een of andere diepgaande manier niet in slagen deze boodschap te begrijpen. Voor degenen onder ons die ze vieren, kruiden de feestdagen van Jom Ha’atzmaoet en Jom Jerushalayim onze herinnering aan het falen van rabbijn Akiva en Bar Kochba om zich van de Romeinse overheersing te bevrijden met de vreugde van de moderne Joodse overwinning op een potentiële onderdrukker en de bevrijding van Jeruzalem.
Al deze gebeurtenissen die plaatsvonden tijdens de Sefirat Ha’omer-periode, samen met alles wat we als volk hebben meegemaakt, worden herdacht, overdacht en gevoeld. Ze gebeuren in feite door onze jaarlijkse ervaring ervan, steeds opnieuw, in ons geheugen en onze verbeelding, terwijl we proberen de zich ontvouwende tekst van de Joodse geschiedenis te begrijpen.