Haäzinoe

Sjabbat Haäzinoe, 19 september 2026/ 8 tisjrie 5787

Dewariem/Deuteronomium 32: 1 –52; Tanach blz. 417-422.

Haftara: II Sjmoeël 22:1 –51; Tanach blz. 655-661.

Vertaler: Thea Koster

Coördinatie: Channa Kistemaker

Commentaar:Lilly Kaufman  is JTS alumna (Rabbinical School, Cantorial School).

Oorspronkelijke Engelse tekst

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

Ons hele leven

Op het einde van zijn leven, met Jozua aan zijn zijde, begint Mosje zijn grote donder gedicht Haäzinoe, waarbij hij de hemel en de aarde oproept als getuigen van zijn krachtige, boze boodschap, zoals God hem had bevolen te doen in de voorgaande sidra Wajelech. En toch, in een resjoet, een hoopvol intentievol gebed van één vers, voorafgaand aan het centrale deel van zijn preek in dichtvorm, zegt hij dat hij wil dat zijn woorden zacht landen: “Moge mijn leer neerdalen als de regen, mijn rede druppelen als de dauw, als buien op jong groen, als druppels op het gras” (Dewariem 32:2). Dan plotseling komt het centrale boze thema naar voren, en hij noemt het volk “God-onwaardig, oneerlijk, verdorven” (32:5), “saai en onverstandig” (32:6).

Het gedicht dat dan volgt is verbluffend mooi, maar de boodschap is hard, waarschuwend voor de rampzalige gevolgen van ongehoorzaam zijn aan God. De grimmige vertelling van de verschrikkelijke gevolgen van ongehoorzaamheid is zelfs de reden voor een Sefardische traditie om Haäzinoe op Tisja Be’Av te lezen. Wat moeten we doen met de woede van Haäzinoe dit jaar, wanneer het valt op de Sjabbat voorafgaand aan onze meest vreugdevolle feestdag, Soekot?

Na het einde van het gedicht legt Mosje zijn en Gods motivatie uit. Hij zegt:

Neem alle woorden ter harte waarmee ik jullie vandaag heb gewaarschuwd. Draag ze over op jullie kinderen, opdat zij alle bepalingen van deze Leer getrouw in acht nemen. Want dit is geen kleinigheid voor jullie: het is jullie leven zelf; daardoor zullen jullie lang blijven leven in het land dat jullie zullen bezitten wanneer jullie de Jordaan oversteken. (32:46-47)

Hun leven hangt af van hun gehoorzaamheid! De boodschap van dit preek-gedicht is zowel belangrijk als dringend en het volk dreigt het te negeren. Als we terugdenken aan kol hadevarim, “al de woorden”, namelijk de enorme reikwijdte van wetten uitgedrukt in Dewariem, van burgerlijke wetten over het reguleren van de economie en het zorgen voor de armen, tot de rechtspraak, het voeren van oorlog, wetten over de viering van de feestdagen, tot wetten over het huwelijk, dan vormen deze samen het leven zelf.

De alomvattendheid van de wetten in Dewariem bevestigt het potentieel van elke vrijwillige handeling in het dagelijks leven om morele inhoud te bezitten, en om deel te hebben aan het Goddelijke. Deze alomvattendheid leert dat moraliteit heel essentieel is voor het menselijk leven en vooral voor het leven in het Beloofde Land. Gehoorzaamheid aan rechtvaardige wetten is veel meer dan aanpassing: het is de uitvoering van een samenhangende moraal in een samenleving. Het risico dit te verliezen in het nieuwe land was hartverscheurend voor God en voor Mosje.

Wees sterk en vastberaden, want jij zult dit volk het land doen erven dat ik hun vaderen gezworen heb te geven. Maar je moet zeer sterk en vastberaden zijn om de gehele Torah die Mijn dienaar Mosje je opgelegd heeft in acht te nemen. Wijk er niet van af naar rechts of naar links, opdat je succesvol mag zijn waar je ook gaat. Laat dit Boek van de Leer niet wijken van je lippen, maar zeg het dag en nacht, zodat je getrouw alles in acht neemt wat erin geschreven staat. Alleen dan zul je voorspoedig zijn in je ondernemingen en alleen dan zul je succesvol zijn. (Jozua 1:6-8)

Terwijl het volk het Land binnentrekt, wordt Jozua door God onderwezen dat het de rol van de leider is om hen niet alleen te leiden in de strijd, maar op een dag het Land eerlijk te verdelen, en om Gods wet te onderwijzen en te bestuderen. De oude manier van leren — gedisciplineerd, herhaaldelijk reciteren — is hoe heilige teksten bij een persoon binnenkomen, of het nu Jozua is of de gemiddelde Israëliet, waarbij neurale paden veranderen, iemands ethische woordenschat wordt vastgelegd. Jozua, de machtige militaire leider, krijgt de opdracht zich te richten op Gods wetten, niet op militaire strategie, als hij aan de verovering begint. Een les gegeven op de drempel van de veldslag is een omslag in beschaving.

Een verdere verzachting vindt veel later plaats, in de periode waarin de Rabbijnen het Joodse gebed uitvonden. Zij drukten hun waardering uit voor Gods lessen en wetten in de zegeningen die voorafgaan aan het Sjema, ‘s ochtends en ‘s avonds gezegd. Het gebed Ahavat Olam, dat ‘s nachts wordt gezegd, bevat de volgende uitspraak over de waarde van Tora oe-mitswot, en hoe ze moeten worden doorgegeven:

Ki hem chajenoe we’orech jamenoe, oe-vahem nege jomam walaila

“Want zij zijn ons leven en de lengte van onze dagen, en wij zullen ze zeggen dag en nacht”


Yissachar Jacobson merkt op (Netiv Binah, I:406) dat het eerste deel van deze zin in Ahavat Olam is afgeleid van twee zinnen die door Mosje zijn uitgesproken tegen het einde van zijn leven: één in Nitzavim, “Want daardoor zult u leven en lang blijven bestaan op de grond die de Heer aan uw voorouders gezworen heeft…” (Dewariem 30:20); en één die we net hebben gezien in Ha’azinu (32:47). Het tweede deel van de zin in Ahavat Olam komt uit de passage hierboven uit Jozua (1:8).

Deze rabbijnen hielden van het idee om dag en nacht Gods leer uit te spreken, niet alleen voor de leider, maar voor elke Jood. Ze hielden van het proces om zich tot God te wenden via woorden, en ze hielden van het idee dat God leiding biedt via woorden, via leren en via de wet, aan iedereen die bereid is te studeren. Met liefde voor deze ideeën en gebruiken, verbonden ze de woorden van Mosje en van Jozua en plaatsten ze in een context van goddelijke liefde. Ze bedachten de uitdrukking ahavat olam, “eeuwige liefde”, om Gods geschenken van leiding, structuur en betekenis te karakteriseren. Ahavat Olam is de liefde-bevestigende inleiding op het horen van het heilige, op het verbond gerichte Sjema dat elke avond uit onze eigen lippen komt. We mompelen dit gebed trouw en zachtjes: zo zachtjes als regen op jong groen, als dauw die op gras valt.

Mosje’s wens dat zijn woorden zachtjes zouden landen, wordt uiteindelijk vervuld lang nadat hij er niet meer was, gevormd door Jozua’s ervaring van God, en door rabbijnen met hun eigen talent voor poëzie. Vanuit ons individuele gezichtspunt, met de hulp van hun woorden die overvloeien van liefde, kunnen we ons wenden tot God, wiens missie werd verdedigd door Mosje in een dramatisch, pijnlijk gedicht, voorgedragen aan een moeilijk volk op een moeilijk moment. We kunnen uit Mosje’s woorden de passie halen die hij bedoelde, en zijn woede terzijde zetten.

Het jaar is nieuw! Moge de omstandigheden waarmee we in dit stralende nieuwe jaar in het leven worden geconfronteerd, woorden van inhoud vermengd met vreugde uit ons voortbrengen, een luxe die Mosje niet ter beschikking stond, die een moeilijk volk leidde onder moeilijke omstandigheden. Moge de woorden die we schrijven en de woorden die we zeggen de virtuositeit van Haäzinoe benaderen; en moge onze lekach, onze wijsheid, zachtjes vallen als regen en zacht als dauwdruppels, op oude en nieuwe geliefden, in dit gezegende nieuwe jaar. ‎