Ki Tavo

Sjabbat Ki Tavo, 29 augustus 2026/ 16 Elloel 5786

Dewariem/Deuteronomium 26: 1 –  27:10 ; Tanach blz. 401.

Haftara: Jesjajahoe 60:10  –  63:9;  Tanach blz. 902.

Vertaler: Benjamin Cohen

Coördinatie: Channa Kistemaker

Commentaar:Alan Cooper is emeritus hoogleraar Joodse Studies aan het Jewish Theological Seminary te New York.

Oorspronkelijke Engelse tekst

 

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

Wat het betekent om te genieten

Tijdens een van onze Talmoedlessen op Sjabbatmiddag, zo’n 50 jaar geleden, en na het gebruikelijke eten, drinken en zingen, ging het gesprek over wat het betekent om van Sjabbat en jom tov (feestdagen) te “genieten”. We bespraken de uitspraak van Rabbi Eliezer dat het “vreugdevol vieren” tijdens de feestdagen verplicht is [1], evenals de twee alternatieve manieren die hij voorstelt om plezier te hebben: door te eten en te drinken of door te zitten en te studeren. Rabbi Joshua merkt op dat het de helft van het ene en de helft van het andere moet zijn (BT Pesahim 68b).

Onze leraar richtte zich vervolgens op het idee dat de specifieke vreugdes van Sjabbat en Jom Tov voortkomen uit de manier waarop we onderscheid maken tussen heilige dagen en gewone weekdagen. Daarop vroeg een medestudent (een beetje een lolbroek): “Rabbi, u bestudeert de Tora de hele week en u bestudeert de Tora op Sjabbat, wat is dan het verschil?” De rabbi antwoordde zonder aarzeling: “Ah, op Sjabbat geniet ik ervan!”

Door het plezier om het antwoord van de rabbijn, misten we zijn opzettelijke verwijzing naar een passage in de midrasj Pesikta Rabbati, hoofdstuk 23:

R. Berekiah onderwees in de naam van R. Hiyya: Sjabbat is alleen gegeven om van te genieten. R. Haggai onderwees in de naam van R. Shemuel bar Nahman: Sjabbat is alleen gegeven om Tora te bestuderen. Maar er is geen verschil. Wat R. Berekiah zei… geldt voor geleerden die zich de hele week uitputten door het bestuderen van de Tora en op Sjabbat genieten. Wat Rabbi Haggai zei … geldt voor werkende mensen die de hele week druk bezig zijn met hun werk en zich op Sjabbat met de Tora bezighouden. [2]

Onze rabbi had blijkbaar het beste van twee werelden – hij studeerde de hele tijd, maar met onvervalst genot op Sjabbat. De conclusie: we horen hoe dan ook te genieten van de mogelijkheden die Sjabbat en Jom Tov ons bieden om af te wijken van onze dagelijkse routine.

Sterker nog: het is een mitzwa dat we van die gelegenheden genieten, een mitzwa die de opmerkelijke neiging van de Tora illustreert om gevoelens en emoties te reguleren. Bijvoorbeeld: we worden negatief opgedragen met verboden om niet te begeren, geen wrok te koesteren en geen vijandige gevoelens jegens onze medemens te hebben. Ook worden we positief geïnstrueerd met geboden: God, onze naasten en misschien zelfs onszelf lief te hebben. Dergelijke regelgeving is logisch als men gedachten en gevoelens beschouwt als voorlopers van daden, vooral als Gods alwetendheid zowel onze gedachten als onze daden ziet. Door deze kennis aan God toe te schrijven, wil de Tora correct handelen aanmoedigen en het tegenovergestelde ontmoedigen. [3]

In Dewariem gebiedt de Tora ons maar liefst acht keer ons te “verheugen” in de vervulling van religieuze verplichtingen.[4] Twee van die gelegenheden vinden we in de parasja van deze week. De eerste volgt na het brengen van de eerstelingen naar het heiligdom en het danken van God voor de oogst:

Daarna mag u, samen met de Levieten en de vreemdelingen die bij u wonen, van een feestmaal genieten met al het goede dat u en uw familie van Hem hebben ontvangen. (26:11)

De tweede volgt na het bouwen van een heiligdom en een altaar op de berg Ebal ter herdenking van de intocht in het Land van Israël:

Breng er vredeoffers en houd een feestmaal ten overstaan van de Eeuwige, uw God. (27:7)

Na deze twee passages volgt een derde die vreemd en verontrustend is, en ons ervoor waarschuwt dat we vreselijke rampen zullen meemaken als we God niet “met vreugde” dienen:

Omdat u de Eeuwige, uw God, niet met vreugde (be-simcha oe-vetov levav) hebt gediend, blij met alles wat u bezat, zult u de vijand die de Eeuwige op u afstuurt moeten dienen, en dat zal gepaard gaan met honger en dorst, met een tekort aan kleding, met gebrek aan alles. U krijgt een loodzwaar juk opgelegd, tot er niemand meer over is. (28:47-48)

Bahya ben Asher merkt op: “De vreugde in het uitvoeren van de mitswa is een mitswa op zich.” Hij vervolgt: “Naast de beloning voor het [vervullen van] de mitzwa is er ook een beloning voor de vreugde; daarom wordt iemand die het gebod naleeft gestraft als hij het niet met vreugde uitvoert. Dus moet men de mitzwot met vreugde en volledige concentratie naleven.” De geest waarin men mitswot uitvoert is van essentieel belang: plichtmatige en vreugdeloze uitvoering is niet alleen onvoldoende; het rechtvaardigt straf.

De manifestatie van “vreugde” houdt noodzakelijkerwijs meer in dan alleen een vrolijk gezicht opzetten. De manier waarop de in de Bijbel voorgeschreven vreugde tot uiting komt, wordt behandeld in de Talmoed. In een bespreking van de muziek die de tempeloffers begeleidde, vraagt Rabbi Yehudah in de naam van Rabbi Shemuel: “Waar leren we in de Tora het principe dat zang verplicht is?” Rabbi Mattenah antwoordt door Dewariem 28:47 te citeren en retorisch te vragen: “Wat is dienen ‘met vreugde?” Hij beantwoordt zijn eigen vraag: “Je moet zeggen dat het verwijst naar zingen, of je zou kunnen zeggen naar woorden uit Tora, zoals staat geschreven [in Psalm 19:9]: ‘De bevelen van de Eeuwige zijn eenduidig: vreugde voor het hart.’” (BT Arachin 11a).

Een prachtig antwoord: God met vreugde dienen betekent dat het uitvoeren van de mitzwot door zowel zang als studie wordt begeleid. Deze tekst voegt dus een derde component toe aan de vreugdevolle naleving van de mitzwot: aan Torastudie en een goede maaltijd (of omgekeerd) voegen we muziek toe. Wat is er immers aangenamer dan lekker eten, vergezeld van woorden uit de Tora en zang vanuit het hart?

Zoals ik eerder al opmerkte: het eerste van de twee positieve geboden in Ki Tavo om je te verheugen komt direct na de beschrijving in de Tora van het ritueel voor het aanbieden van de eerstelingen van de oogst in het heiligdom. Aan het einde van het ritueel staat er in de tekst (Dewariem 26:11): “Daarna mag u … van een feestmaal genieten met al het goede dat u en uw familie van Hem heeft ontvangen. (26:11)”

In de directe context van dit vers verwijst de uitdrukking “al het goede” naar de overvloed van de oogst, maar er zijn vele andere zaken waarvoor we dankbaar zouden moeten zijn. Midrasj Tannaim gaat hier op in: “‘…mag u genieten’ verwijst naar allerlei vormen van genot [dat wil zeggen, niet alleen naar het plezier van een goede maaltijd tijdens de oogsttijd] … ‘met al het goede’ verwijst naar het gezang.” Dus hier is nog een verwijzing naar muziek als bron van vreugde. Zoals Malbim uitlegt: “Net zoals vreugde in dienst van de Schepper wordt opgewekt door liederen en lofzangen, zo zou ook vreugde in ‘al het goede’ door zang moeten zijn.”

Wat betreft de vreugde van Torastudie, leren we uit het commentaar van Hayyim ibn Attar, de Or Ha-hayyim:

De term ‘al het goede’ verwijst naar de Tora, zoals de wijzen zeiden [in M. Avot 6:3]: “‘goed’ betekent niets dan Tora,” want als mensen de zoete vreugde van de goedheid van de Tora zouden ervaren, zouden ze die als bezetenen nastreven en al het zilver en goud ter wereld als waardeloos beschouwen, omdat de Tora al het goede in de wereld bevat.

Ik ben veel vergeten van wat ik in mijn jeugd heb geleerd, maar de repliek van mijn leraar: ‘Op Sjabbat geniet ik ervan,’ is me al die jaren bijgebleven, en de anekdote ontlokt altijd een glimlach bij mij. In de sidra van deze week gebiedt de Tora ons onze dankbaarheid aan God te uiten met ‘vreugde en blijdschap’, ijverig de Tora na te streven en te genieten van de schoonheid van zang terwijl we deelgenoot zijn van de overvloed die God zo genadevol heeft geschonken. In de woorden van de Psalmist: “dien de Eeuwige met vreugde; kom tot hem met jubelzang”. (Psalm 100:2)

[1]  “Feestelijke vreugde is een mitzwa” (simhat yom tov mitzwah). De parallel in de Jeruzalemse Talmoed, Sjabbat 15:3/78a (Venetië-editie 15a), bespreekt “Sjabbatten en Feesten” (shabbatot veyamim tovim).

[2] De inhoud van de passage vindt uiteindelijk zijn weg naar halachische discussie. Zie Joseph Caro, Beit Yosef over Tur OH 288; Moses Isserles, zie bij Shulhan Arukh OH 290:2. Hier is een samenvatting van de halachische bronnen: https://www.israelnationalnews.com/news/346486.

[3] Zo zegt Saadia Gaon in zijn Boek der Leerstellingen en Geloofsovertuigingen (Emunot Vede’ot), IV.4: “God kent de uiteindelijke uitkomst van menselijk handelen, zoals die zich ontvouwt na conceptie, planning en vertraging, zoals de Schrift zegt: ‘God kent de gedachten van de mensen’ (Psalm 94:11), en ‘Ik weet welke plannen zij nu al smeden’ (Deuteronomium 31:21).” Zie ook Bahya ibn Paquda, Plichten van het Hart (Hovot Halevavot), IV.3

[4] Deut. 12:7; 12:12; 12:18; 14:26; 16:11; 16:14; 26:11; 27:7.