Sjabbat Korach, 13 juni 2026/ 28 Siewan 5786
Bemidbar/Numeri 16: 1 – 35; Tanach blz. 300.
In de Haftara lezen we: I Sjemoeël 11:14 – 12:22; Tanach blz. 558 – 561.
Vertaler: Thea Koster
Coördinatie: Channa Kistemaker
Commentaar:Rabbijn Dr. Bradley Shavit Artson is decaan van de Ziegler School of Rabbinic Studies.
Use the link to read the original text in English.
_________________________________________________
Dienen met onderscheid
De opstand van Korach tegen Mosjé en Aharon is pijnlijk voor de meeste Joden die het lezen, juist omdat het zo complex en tijdloos is. Hoewel we door onze opvoeding en Joodse traditie worden opgevoed om sympathie te hebben voor Mosjé en zijn aanhangers, is het moeilijk voor iemand die een hart voor democratie heeft om niet geraakt te worden door Korachs krachtige boodschap. Onze Joodse loyaliteit lijkt lijnrecht tegenover onze democratische overtuigingen te staan. Dat conflict doet pijn.
Mosjé en Aharon hebben de Joodse stammen met succes uit de slavernij in Egypte en door de gevaren van de woestijn geleid. Het leven van de stammen is nu relatief veilig en comfortabel. God spreekt regelmatig tot het Joodse volk via Mosjé, en de families leven hun leven in afwachting van de intrede in het Beloofde Land.
Temidden van deze idyllische rust komt Korach in opstand. Hij heeft er een hekel aan dat hij Mosjé in alles moet volgen en daagt hem uit met de ontroerende woorden: “De hele gemeenschap is heilig, allen, en de Heer is in hun midden. Waarom verheffen jullie je dan boven de gemeente van de Heer?”
De uitdaging van Korach raakt de kern van de democratische waarden die zo gekoesterd worden in zowel onze Joodse als onze Amerikaanse tradities: als alle mensen gelijk geschapen zijn, waarom zou de een dan gezag over de ander hebben? Waarom zou de een ooit toegang hebben tot macht, rijkdom of prestige op een manier die de ander niet heeft?
Korachs uitdaging vindt weerklank in de woorden van Samuel en Amos, Jefferson en Lincoln, Marx en Trotski. Grote leiders uit alle tijden streden voor de stelling dat ieder mens intrinsieke waarde heeft, dat alle mensen gelijkwaardig zijn.
Weinigen in Amerika zouden die bewering betwisten. Maar we kunnen ons nog steeds afvragen of gelijkheid wel uniformiteit hoeft te betekenen. Alle mensen zijn inderdaad gelijk (in vergelijking met de oneindige God die ons schiep), maar we zijn niet allemaal hetzelfde. Gelijkwaardig zijn is niet hetzelfde als identiek zijn in vaardigheden. Korachs fout was dat hij die twee eigenschappen – gelijkwaardigheid en identieke eigenschappen – door elkaar haalde.
Feit is dat mensen niet allemaal hetzelfde zijn. Een vluchtige blik in een volle ruimte bevestigt de verschillende gradaties van intelligentie en kracht, de uiteenlopende persoonlijkheden en gezondheid. Topatleten verschillen van de rest van ons, en Nobelprijswinnaars denken, zoals de Tovenaar van Oz het zegt, “diepe gedachten met niet meer hersenen dan jij hebt.” Er is wel degelijk een verschil.
Korach voelde zich bedreigd door diversiteit, door specialisatie, door onderscheid. Maar het Jodendom is juist gebaseerd op de viering van diversiteit, op het belang van onderscheid. Je kunt anders zijn en toch gelijkwaardig. De Midrasj Bamidbar Rabbah verwoordt dit inzicht als volgt: “God scheidde het licht van de duisternis, opdat het de wereld ten dienste zou staan.” Korach zou proberen de twee te vermengen, te beweren dat licht en duisternis in wezen hetzelfde zijn. Korach zou zich bedreigd voelen als ze gescheiden bleven, elk op een andere manier bijdragend aan het voortbestaan van de wereld.
Maar we hebben duidelijke perioden van dag en nacht nodig. Beide moeten hun unieke integriteit behouden om het leven voort te zetten. De midrasj vervolgt: “Zoals God het licht van de duisternis scheidde, opdat het de wereld ten dienste zou staan, zo onderscheidde God Israël van de andere volken… en op dezelfde manier onderscheidde Hij Aharon (en Mosjé).” Wil het Jodendom een bijdrage kunnen leveren aan de wereld – door de waarden en gebruiken na te leven die een samenleving van heilige kennis, goddelijke dienstbaarheid en daden van liefde vormen – dan moeten we onderscheidend blijven.
Niet beter. Niet geïsoleerd. Maar onderscheidend. Net zoals we Mosjé nodig hadden als leider – een deel van het volk, maar toch onderscheidend van hen – zo heeft de wereld Joden en het Jodendom nodig – als onderdeel van de mensheid, maar ook onderscheidend.
