Nitsawiem/Wajelech

Sjabbat Nitsawiem/Wajelech, 5 september 2026/ 23 Elloel 5786

Dewariem/Deuteronomium 29: 9 – 31:30; Tanach blz. 410; 416/7.

Haftara: Jesjajahoe 61:10 – 63:9; Tanach blz. 904.

Vertaler: Bram Lagendijk

Coördinatie: Channa Kistemaker

Commentaar:Rabbijn Jonathan Sacks z’’l  was bij leven Opperrabbijn van het Verenigd Koninkrijk.

Oorspronkelijke Engelse tekst

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

Waarom Joods zijn?

In de laatste dagen van zijn leven vernieuwt Mosje het verbond tussen God en Jisraël. Het hele boek Dewariem beschrijft dit verbond – hoe het tot stand kwam, wat de voorwaarden ervan zijn, waarom het de kern vormt van Jisraëls identiteit als een am kadosj (een heilig volk) enzovoort. Nu breekt het moment aan van de vernieuwing zelf, een nationale hernieuwde toewijding aan de voorwaarden van het bestaan ​​als een heilig volk onder de soevereiniteit van God.

Mosje is er echter op bedacht om zijn woorden niet te beperken tot degenen die daadwerkelijk aanwezig zijn. Vlak voor zijn dood wil hij ervoor zorgen dat geen enkele toekomstige generatie kan zeggen: “Mosje sloot een verbond met onze voorouders, maar niet met ons. Wij gaven geen toestemming. Wij zijn er niet aan gebonden.” Om dit te voorkomen, zegt hij het volgende:

“Niet alleen met u, die hier nu ten overstaan van de Eeuwige, onze God, bijeen bent, sluit ik dit verbond, maar ook met degenen die er nu nog niet bij zijn.” (Dewariem 29:13-14)

Zoals de commentatoren opmerken, kan de uitdrukking “wie hier niet is” niet verwijzen naar Jisraëlieten die destijds leefden maar zich toevallig ergens anders bevonden. Die voorwaarde zou niet nodig zijn geweest, aangezien het hele volk daar bijeen was. Mosje kan alleen ‘generaties die nog niet geboren zijn’ bedoelen. Het verbond bindt alle Joden vanaf die dag tot nu. Zoals de Talmoed zegt: “Wij zijn allen moesjba we’omed mehar Sinai, gebonden door de belofte bij de berg Sinaï.” (Joma 73b, Nedariem 8a) Door ermee in te stemmen Gods volk te zijn en onderworpen te zijn aan Gods wetten, hebben onze voorouders ons allen verplicht.

Dit is dan ook een van de meest fundamentele principes van het Jodendom. Met uitzondering van proselieten kiezen we er niet voor om Joods te zijn. We worden als Jood geboren. We worden wettelijk volwassen, onderworpen aan de geboden en verantwoordelijk voor onze daden, op twaalfjarige leeftijd voor meisjes (Bat Mitswa) en op dertienjarige leeftijd voor jongens (Bar Mitswa). Maar we maken vanaf onze geboorte deel uit van het verbond. Een Bat of Bar Mitswa is geen ‘bevestiging’. Het houdt geen vrijwillige aanvaarding van de Joodse identiteit in. Die keuze vond meer dan drieduizend jaar geleden plaats toen Mosje zei: “Ik sluit dit verbond niet alleen met jullie, maar ook met iedereen die hier vandaag niet bij ons is“, waarmee hij alle toekomstige generaties bedoelde, inclusief ons.

Maar hoe kan dat? Een fundamenteel gegeven van het Jodendom is toch dat er geen verplichting bestaat zonder toestemming? Hoe kunnen we gebonden zijn aan een overeenkomst waar we geen partij bij waren? Hoe kunnen we onderworpen zijn aan een verbond op basis van een besluit dat lang geleden en ver weg door onze verre voorouders is genomen?

De wijzen stelden een soortgelijke vraag over de generatiegenoten van Mosje, die er daadwerkelijk bij waren en hun instemming gaven. De Talmoed suggereert dat ze niet geheel vrij waren om ‘nee’ te zeggen:

 
De Heilige, gezegend zij Hij, hief de berg als een vat boven hen op en zei: “Als jullie ‘ja’ zeggen, zal alles goed komen, maar als jullie ‘nee’ zeggen, zal dit jullie begraafplaats zijn.” (Sjabbat 88b)

Daarover zei rabbijn Acha bar Jaakov: “Dit vormt een fundamentele uitdaging voor de legitimiteit van het verbond.” De Talmoed antwoordt hierop dat, hoewel de overeenkomst destijds misschien niet geheel vrijwillig was, de Joden in de tijd van Achasjweros vrijwillig hun toestemming gaven, zoals blijkt uit het boek Esther.

Dit is niet de plek om deze specifieke passage te bespreken, maar de kern van de zaak is duidelijk. De wijzen waren er stellig van overtuigd dat een overeenkomst vrijwillig gesloten moest worden om bindend te zijn. Maar wij hebben er niet voor gekozen om Joods te zijn. De meesten van ons zijn als Jood geboren. Wij waren er niet in de tijd van Mosje toen het verbond werd gesloten. Wij bestonden toen nog niet. Hoe kunnen we dan gebonden zijn aan het verbond?

Dat is geen onbelangrijke vraag. Het is dé vraag waarop alle andere vragen gebaseerd zijn. Hoe kan de Joodse identiteit van ouder op kind worden doorgegeven? Als de Joodse identiteit louter raciaal of etnisch bepaald was, zouden we het kunnen begrijpen. We erven veel van onze ouders – het meest voor de hand liggend zijn onze genen. Maar Joods zijn is geen genetische eigenschap, het is een geheel van religieuze verplichtingen. Er bestaat een halachisch principe: zachien le’adam sjelo be’fanav, “Je kunt iemand een voordeel schenken zonder zijn of haar medeweten of toestemming”. (Ketoebot 11a) En hoewel het ongetwijfeld een voordeel is om Joods te zijn, is het in zekere zin ook een nadeel. Een beperking van onze legitieme keuzes, met ernstige gevolgen als we de regels overtreden. Als we niet Joods waren geweest, hadden we op Sjabbat kunnen werken, niet-kosjer voedsel kunnen eten enzovoort. Je kunt iemand een voordeel schenken zonder zijn of haar toestemming, maar geen nadeel.

Kortom, dit is de kernvraag over Joodse identiteit. Hoe kunnen we gebonden zijn aan de Joodse wet, zonder dat we daar zelf voor hebben gekozen, enkel omdat onze voorouders daarmee instemden?

In mijn boek Radical Then, Radical Now [1] heb ik erop gewezen hoe fascinerend het is om precies na te gaan wanneer en waar deze vraag werd gesteld. Ondanks het feit dat alles ervan afhangt, werd hij niet vaak gesteld. Joden stelden zich over het algemeen niet de vraag: “Waarom Joods zijn?” Het antwoord was duidelijk. Mijn ouders zijn Joods. Mijn grootouders waren Joods. Dus ik ben Joods. Identiteit is iets wat de meeste mensen in de meeste tijdperken als vanzelfsprekend beschouwen.

Het werd echter wel een probleem tijdens de Babylonische ballingschap. De profeet Jechezkeel/Ezechiël zegt: “Wat jullie willen, zal zeker niet gebeuren. Jullie denken dat je kunt worden als de volken die in andere landen wonen en goden van hout en steen vereren!” (Jechezkeel 20:32) Dit is de eerste verwijzing naar Joden die actief probeerden hun identiteit op te geven.

Het gebeurde opnieuw in de rabbijnse tijd. We weten dat er in de tweede eeuw voor de gewone jaartelling Joden waren die zich helleniseerden en probeerden Grieks te worden in plaats van Joods. Er waren er ook die, onder Romeinse heerschappij, probeerden Romeins te worden. Sommigen ondergingen zelfs een operatie om de effecten van de besnijdenis  ongedaan te maken en zo te verbergen dat ze Joods waren (in het Hebreeuws werden ze mesjoechiem genoemd). [2]

De derde periode was in Spanje in de vijftiende eeuw. Uit die tijd kennen we twee bijbelcommentatoren, rabbijn Isaac Arama en rabbijn Isaac Abarbanel. Zij wierpen precies de vraag op die wij ook hebben gesteld over hoe het verbond Joden vandaag de dag kan binden. De reden dat zij die vraag stelden, terwijl eerdere commentatoren dat niet deden, was dat er in hun tijd – tussen 1391 en 1492 – enorme druk op Spaanse Joden was om zich tot het christendom te bekeren. Mogelijk heeft een derde dat ook gedaan (ze stonden in het Hebreeuws bekend als de anoesiem, in het Spaans als de conversos, en denigrerend als maranos, zwijnen). De vraag “Waarom Joods blijven?” was reëel.

De antwoorden die werden gegeven, verschilden op verschillende momenten. Jechezkeels antwoord was onomwonden: “Zo waar ik leef”, spreekt de Eeuwige God, “zal Ik jullie Koning zijn, een Koning die met sterke hand en opgeheven arm Zijn toorn over jullie uitstort.” (Jechezkeel 20:33) Met andere woorden, Joden konden proberen aan hun lot te ontkomen, maar ze zouden falen. Zelfs als het tegen hun wil was, zouden ze altijd als Joden bekend blijven staan. Dat is, tragisch genoeg, wat er gebeurde tijdens de twee grote assimilatieperioden: in het vijftiende-eeuwse Spanje en in Europa in de negentiende en vroege twintigste eeuw. In beide gevallen bleef raciaal antisemitisme bestaan ​​en werden Joden nog steeds vervolgd.

De wijzen gaven een mystiek antwoord op de vraag. Ze zeiden dat zelfs de zielen van Joden die nog niet geboren waren, aanwezig waren bij Sinaï en het verbond bekrachtigden. (Sjemot Rabba 28:6) Met andere woorden, elke Jood gaf in de tijd van Mosje zijn of haar toestemming, ook al waren ze nog niet geboren. Om dit te verduidelijken, bedoelden de wijzen wellicht dat zelfs de meest geassimileerde Jood in zijn of haar hart wist dat hij of zij Joods was. Dat lijkt het geval te zijn geweest bij publieke figuren als Heinrich Heine en Benjamin Disraeli, die als christenen leefden, maar vaak schreven en dachten als Joden.

De Spaanse commentatoren uit de vijftiende eeuw vonden dit antwoord problematisch. Zoals Arama zei, zijn we allemaal lichaam en ziel. Hoe kan het dan volstaan ​​om te zeggen dat onze ziel aanwezig was bij Sinaï? Hoe kan de ziel het lichaam verplichten? Natuurlijk stemt de ziel in met het verbond. Geestelijk gezien is Joods-zijn een voorrecht, en je kunt iemand een voorrecht verlenen zonder diens toestemming. Maar voor het lichaam is het verbond een last. Het brengt allerlei beperkingen met zich mee voor lichamelijk genot. Dus als de zielen van toekomstige generaties wel aanwezig waren, maar niet hun lichamen, zou dat geen toestemming betekenen.

Radical Then, Radical Now is mijn antwoord op deze vraag. Maar misschien is er een eenvoudiger antwoord. Niet elke verplichting die ons bindt, is er een waar we vrijwillig mee hebben ingestemd. Er zijn verplichtingen die bij de geboorte ontstaan. Het klassieke voorbeeld is een kroonprins of -prinses. Troonopvolger zijn brengt een reeks verplichtingen met zich mee en een leven in dienst van anderen. Het is mogelijk om deze verplichtingen te verwaarlozen. In extreme gevallen is het zelfs mogelijk dat een monarch afstand doet van de troon. Maar niemand kan ervoor kiezen om troonopvolger te worden. Dat is een lot, een bestemming, die bij de geboorte ontstaat.

Het volk van wie God zelf zei: “Jisraël is mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon” (Sjemot/Exodus 4:22), weet dat het koninklijk is. Dat kan een voorrecht zijn. Het kan ook een last zijn. Het is vrijwel zeker beide. Het is een eigenaardige misvatting uit de periode na de Verlichting om te denken dat alleen belangrijk is wat we zelf kiezen. De waarheid is dat we bij sommige van de belangrijkste aspecten over onszelf geen keuze hebben. We kiezen er niet voor om geboren te worden. We kiezen onze ouders niet. We kiezen de plaats en de tijd van onze geboorte niet. Toch beïnvloeden al deze aspecten wie we zijn en wat we moeten doen.

We maken deel uit van een verhaal dat lang voor onze geboorte begon en dat nog lang na onze dood zal voortduren. De vraag voor ons allemaal is: zullen wij het verhaal voortzetten? De hoop van honderd generaties van onze voorouders rust op onze bereidheid daartoe. Diep in ons collectieve geheugen klinken de woorden van Mosje nog steeds door: “Ik sluit dit verbond niet alleen met jullie, maar ook met allen die hier vandaag niet bij ons zijn.” We spelen allemaal een cruciale rol in dit verhaal. We kunnen het beleven of opgeven. Maar het is een keuze die we niet kunnen vermijden en die immense gevolgen heeft. De toekomst van het verbond ligt in onze handen.

[1]        Jonathan Sacks. Radical Then, Radical Now. London: HarperCollins, 2000. Published in North America as A Letter in the Scroll. New York: Free Press, 2000.
[2]      Dit is wat rabbijn Elazar van Modiin bedoelt in Misjna Awot 3:15 wanneer hij verwijst naar iemand die “het verbond van onze vader Avraham tenietdoet”.