Nitzavim

Sjabbat Nitsawim, 20 september 2025/ 27 elloel 5785

Dewariem/Deuteronomium 29: 9 – 28, 30: 1 – 20; Tanach blz. 410 – 414.

Haftara: Jesjaja 61: 10 – 63: 9; Tanach blz. 905 – 907.

Vertaler:         Frits Pront

Coördinatie:   Harry Polak

Commentaar:   rabbijn Jonathan Sacks, o.a. opperrabbijn van het Britse Gemenebest

Oorspronkelijke Engelse tekst

 

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

Waarom zijn we Joods?

In de laatste dagen van zijn leven hernieuwt Mosjee het verbond tussen God en Israël. Het hele boek Devariem is een verslag van het verbond – hoe het tot stand kwam, wat de voorwaarden en condities ervan zijn, waarom het de kern is van Israëls identiteit als een am kadosj (een heilig volk), enzovoort. Nu komt het moment van de eigenlijke vernieuwing, een nationaal zich opnieuw wijden aan de voorwaarden van hun bestaan als een heilig volk onder het gezag van God Zelf.

Mosjee is echter voorzichtig om zijn woorden niet te beperken tot degenen die daadwerkelijk aanwezig zijn. Op het randje van de dood, wil hij ervan verzekerd zijn dat geen enkele toekomstige generatie kan zeggen: “Mosjee heeft een verbond gesloten met onze voorouders, maar niet met ons. Wij hebben er niet mee ingestemd. Wij zijn er niet aan gebonden.” Om dit te voorkomen spreekt hij deze woorden: “Niet alleen met u, die hier nu ten overstaan van de Eeuwige, onze God, bijeen bent, sluit ik dit verbond, maar ook met degenen die er nu nog niet bij zijn.” (Devariem 29: 13-14)

Zoals de verklaarders uitleggen, kan de uitdrukking “wie er niet bij is” niet verwijzen naar Israëlieten die toen leefden en zich toevallig ergens anders bevonden. Dat voorbehoud zou niet nodig zijn geweest omdat het hele volk daar was verzameld. Mosjee kan alleen maar bedoeld hebben “generaties die nog niet geboren zijn.” Het verbond bond alle Joden vanaf die dag tot op heden. Zoals in de Talmoed staat: we zijn allemaal mushba ve-omed meHar Sinai, “We legden een eed af zonder dat we ons daarvan bewust waren” (Yoma 73b, Nedarim 8a). Door ermee in te stemmen Gods volk te zijn, onderworpen aan Gods wetten, verplichtten onze voorouders ons allemaal.

Vandaar een van de meest fundamentele realiteiten over het Jodendom. Met uitzondering van geeriem, kiezen wij er niet voor om Jood te zijn. We zijn als Jood of Jodin geboren. We worden wettelijk volwassenen, onderworpen aan de eisen en verantwoordelijk voor onze handelingen op de leeftijd van twaalf voor meisjes, dertien voor jongens. Maar we maken vanaf onze geboorte deel uit van het verbond. Een bat of bar mitswa is geen ‘bevestiging’. Het gaat niet om vrijwillige acceptatie van de Joodse identiteit. Die keuze vond meer dan drieduizend jaar geleden plaats toen Mosjee zei: “Het is niet alleen met u dat ik dit gezworen verbond maak, maar met … wie hier vandaag nog niet bij zijn“, wat wil zeggen alle toekomstige generaties, inclusief de onze.

Maar hoe kan dit zo zijn? We mogen vaststellen dat een fundamenteel principe in het Jodendom is dat er geen verplichting is zonder instemming. Hoe kunnen we dan gebonden zijn aan een overeenkomst waarbij we geen partij waren? Hoe kunnen we onderworpen zijn aan een verbond op basis van een beslissing die lang geleden en ver weg is genomen door onze verre voorouders?

De Wijzen stelden uiteindelijk een soortgelijke vraag over de Woestijn-generatie in de dagen van Mosjee die er daadwerkelijk bij waren en hun toestemming gaven. De Talmoed suggereert dat ze niet helemaal vrij waren om ‘Nee’ te zeggen. “De Eeuwige, gezegend zij Hij, liet de berg als een ton boven hen hangen en zei: Als je ‘instemt’, komt alles goed, maar als je ‘Nee’ zegt, zal dit de plaats zijn van je graf.” (Sjabbat 88b)

Hierover zei R. Acha bar Yaäkov: “Dit vormt een fundamentele uitdaging voor de legitimiteit van het verbond.” De Talmoed antwoordt dat, hoewel de overeenkomst op dat moment misschien niet volledig vrijblijvend was, de Joden vrijwillig hun instemming bevestigden in de dagen van Achasjverus, daarop wordt in elk geval gezinspeeld in de Megillat Esther.

Dit is niet de plek om deze specifieke passage te bespreken, maar het essentiële punt is duidelijk. De Wijzen geloofden stellig dat een overeenkomst vrijwillig moet worden gesloten om bindend te zijn. Toch stemden we er niet mee in om Joden te zijn. Wij waren, de meesten van ons, van geboorte Joden. Wij waren niet aanwezig in Mosjees dagen toen de overeenkomst werd gesloten. We bestonden nog niet. Hoe kunnen we dan gebonden zijn aan het verbond?

Dit is een niet te onderschatten kwestie. Het is de vraag waarom alle andere draaien. Hoe kan de Joodse identiteit van ouder op kind worden overgedragen? Als de Joodse identiteit slechts raciaal of etnisch was, zouden we het kunnen begrijpen. We erven veel dingen van onze ouders – overduidelijk onze genen. Maar Joods zijn is geen genetische zaak, het is een reeks religieuze verplichtingen. Er is een halachisch principe: zakien le-adam sjelo be-fanav, “Je kunt een ander een voordeel verlenen zonder diens medeweten of instemming.” (Ketubot 11a). En hoewel het ongetwijfeld een voordeel is om Jood te zijn, is het in zekere zin ook het opleggen van een verplichting, een beperking van ons scala aan legitieme keuzes, met ernstige gevolgen als we ze overtreden. Als we niet Joods waren geweest, hadden we op sjabbat kunnen werken, niet-koosjer voedsel eten, enzovoort. Je kunt iemand een voordeel verlenen zonder diens instemming, maar geen verplichting.

Kortom, dit is de meest cruciale vraag over de Joodse identiteit. Hoe kunnen we zonder dat het onze keus was, gebonden zijn aan de Joodse wet enkel en alleen omdat onze voorouders namens ons ermee instemden?

In mijn boek Radical Then, Radical Now wees ik erop hoe fascinerend het is om precies te traceren wanneer en waar deze vraag werd gesteld. Ondanks het feit dat al het andere ervan afhangt, werd er niet vaak naar gevraagd. Voor het grootste deel stelden Joden niet de vraag: ‘Waarom Joods zijn?’ Mijn ouders zijn Joods. Mijn grootouders waren Joods. Dus ik ben Joods. Identiteit is iets wat de meeste mensen in bijna alle generaties als vanzelfsprekend beschouwen.

Het werd echter problematisch tijdens de Babylonische ballingschap. De profeet Jechezkeel zegt: “Wat jullie willen, zal zeker niet gebeuren. Jullie denken dat je kunt worden als de volken die in andere landen wonen en goden van hout en steen vereren!” (Jech. 20: 32). Dit is de eerste verwijzing naar Joden die actief proberen hun identiteit prijs te geven.

Het gebeurde opnieuw in rabbijnse tijden. We weten dat er in de tweede eeuw voor de gewone jaartelling Joden waren die Helleniseerden, die liever Grieks wilden zijn dan Joods. Er waren anderen die, onder Romeinse heerschappij, probeerden Romeins te worden. Sommigen ondergingen zelfs een operatie die bekend staat als epispasme om de effecten van het besneden zijn teniet te doen (in het Hebreeuws stonden ze bekend als mesjoekiem) om het feit te verbergen dat ze Joods waren.

De derde keer was in Spanje in de vijftiende eeuw. Dat is waar we twee Tora-verklaarders vinden, rabbi Isaac Arama en rabbi Isaac Abarbanel, die precies de vraag stellen die we hebben opgeworpen over hoe het verbond Joden vandaag de dag daaraan kan binden. De reden dat ze het vragen, terwijl eerdere verklaarders dat niet deden, was, dat er in hun tijd – tussen 1391 en 1492 – een enorme druk stond op de Spaanse Joden om zich tot het Christendom te bekeren, en maar liefst een derde van hen hebben dat mogelijkerwijs gedaan (ze stonden in het Hebreeuws bekend als de anusim [gedwongenen, vert.], in het Spaans als de conversos, en denigrerend als marranos, “varken”).

De gegeven antwoorden [op de vraag “Waarom Joods blijven?”] verschilden op diverse tijdstippen. Jechezkel’s antwoord was ongezouten: “Zo waar ik leef -spreekt de Eeuwige God – ik zal jullie koning zijn, een koning die met sterke hand en opgeheven arm zijn toorn over jullie uitstort.” (Jech. 20:33). Met andere woorden, Joden zouden kunnen proberen aan hun lot te ontsnappen, maar ze zullen falen. Zelfs als het tegen hun wil zou zijn, zouden ze altijd bekend staan als Joden. Dat is, tragisch genoeg, wat er gebeurde tijdens de twee grote tijdperken van assimilatie, het vijftiende-eeuwse Spanje en in Europa in de negentiende en vroege twintigste eeuw. In beide gevallen bleef raciaal antisemitisme bestaan en bleven Joden vervolgd worden.

De Wijzen gaven een mystiek antwoord op de vraag. Ze zeiden dat zelfs de zielen van nog ongeboren Joden aanwezig waren op de Sinai en het verbond bekrachtigden (Exodus Rabbah 28: 6). Met andere woorden, elke Jood, gaf absoluut zijn toestemming in de dagen van Mosjee, ook al waren ze nog niet geboren. Door dit te demystificeren bedoelden de Wijzen misschien dat diep van binnen zelfs de meest geassimileerde Jood wist dat hij Joods was. Dat schijnt het geval te zijn geweest met publieke figuren als Heinrich Heine en Benjamin Disraeli, die als christenen leefden maar vaak schreven en dachten als Joden.

De vijftiende-eeuwse Spaanse verklaarders vonden dit antwoord problematisch. Zoals Arama [1420-94 Spaanse rabbijn, auteur, talmoedist. vert.] zei, we zijn elk van ons zowel lichaam als ziel. Hoe kan het dan voldoende zijn om te stellen dat onze ziel aanwezig was op de Sinai? Hoe kan de ziel het lichaam tot iets verplichten? Natuurlijk gaat de ziel akkoord met het verbond. Vanuit godsdienstig oogpunt is het een voorrecht om Jood te zijn, en je kunt iemand een voorrecht verlenen zonder diens toestemming. Maar lichamelijk is het verbond een last. Het houdt allerlei beperkingen van fysieke genoegens in. Vandaar dat als de zielen van toekomstige generaties maar niet hun lichamen aanwezig waren zou dat geen toestemming inhouden.

Radical Then, Radical Now is mijn antwoord op dit vraagstuk. Maar misschien is er een eenvoudiger antwoord. Niet elke verplichting die ons bindt is er een waar we vrijelijk mee instemden. Er zijn verplichtingen die komen met de geboorte. Het klassieke voorbeeld is een kroonprins of prinses. Het zijn van troonopvolger brengt een reeks plichten met zich mee en een leven van dienstbaarheid aan anderen. Het is mogelijk om deze taken te verwaarlozen. In het uiterste geval is het zelfs mogelijk voor een monarch om af te treden. Maar niemand kan ervoor kiezen om erfgenaam van een troon te zijn. Dat is een lot, een lot, dat komt met de geboorte.

Het volk waarvan God Zelf zei: “Jisraëel is mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon” (Sjemot 4:22) weet dat het om iemand van Koninklijken bloede gaat. Dat kan een voorrecht zijn. Het kan een last zijn. Het is vrijwel zeker beide. Het is een eigenaardige post-Verlichtingswaan om te denken dat het enige betekenisvolle aan ons is datgene is waarvoor we kiezen. Want de werkelijkheid is dat we sommige van de belangrijkste feiten betreffende onszelf niet kiezen. We hebben er niet voor gekozen om geboren te worden. We hebben onze ouders niet gekozen. We hebben de tijd en plaats van onze geboorte niet gekozen. Toch heeft elk van hen invloed op wie we zijn en waartoe we worden geroepen.

We zijn deel van een verhaal dat begon lang voordat we ter wereld kwamen en dat vervolgd zal worden lang nadat we hier niet meer zijn, en de vraag voor ons allen is: Zullen we het verhaal continueren? De hoop van honderd generaties voorouders berust op onze bereidheid om dat te doen. Diep in ons collectieve geheugen blijven de woorden van Mosjee weerklinken. “Niet alleen met u, …, maar ook met degenen die er nu nog niet bij zijn.”

We zijn allemaal een sleutelfiguur in dit verhaal. We kunnen ernaar leven. We kunnen er afstand van nemen. Maar het is een keuze die we niet kunnen vermijden, en het heeft immense gevolgen. De toekomst van het verbond rust op ons.