Sjabbat Pinchas, 19 juli 2025/ 23 tamoez 5785
Bemidbar/Numeri 28: 16 – 30: 1; Tanach blz. 329-332.
Haftara: Jirmejahoe 1: 1 – 2: 3; Tanach blz. 915-916.
Vertaler: Channa Kistemaker
Coördinatie: Harry Polak
Commentaar: rabbijn Lord Jonathan Sacks z.l., o.a. opperrabbijn van het Gemenebest.
Use the link to read or listen to the original text in English.
_________________________________________________
Lessen van een leider
De sidra Pinchas bevat een masterclass in leiderschap, waarin Mosjee zijn eigen sterfelijkheid onder ogen ziet en God vraagt om een opvolger aan te wijzen. De grote leiders hechten belang aan opvolging. In sidra Chajee Sara zagen we hoe Awraham zijn dienaar opdracht gaf om een vrouw voor zijn zoon Jitschak te zoeken, zodat de familie van het verbond zou voortbestaan. Koning Davied koos Sjlomo. Eliahoe stelde, op Gods bevel, Elisja aan om zijn werk voort te zetten.
In het geval van Mosjee vermoedden de Rabbijnen een zekere droefheid toen hij besefte dat hij niet opgevolgd zou worden door een van zijn zonen, Gersjom of Eliëzer. Dat is namelijk zo met de Keter Tora, de onzichtbare kroon van de Tora die door de Profeten en Wijzen werd gedragen. In tegenstelling tot de kronen van het priesterschap en het koningschap, gaat deze niet in erfopvolging over van vader op zoon. Charisma doet dat zelden. Wat echter leerzaam is, is de taal die Mosjee gebruikt om zijn verzoek te formuleren:
“Moge de Eeuwige, de God die aan al wat leeft de levensadem schenkt, dan iemand over het volk aanstellen die het kan leiden en de troepen kan aanvoeren, zodat het volk van de Eeuwige niet wordt als een kudde schapen zonder herder.” (Bemidbar 27: 16)
We kunnen drie fundamentele leiderschapslessen trekken uit deze woordkeuze. De eerste, opgemerkt door Rasji, is impliciet aanwezig in de ongewoon lange beschrijving van God als “de Eeuwige, de God die aan al wat leeft de levensadem schenkt”. Dit betekent, legt Rasji uit: “Meester van het universum, het karakter van ieder mens wordt aan U geopenbaard, en geen twee zijn gelijk. Stel over hen een leider aan die ieder mens zal verdragen overeenkomstig zijn of haar individuele karakter.”
De Rambam zegt dat dit een fundamenteel kenmerk is van de menselijke conditie. Homo sapiens is de meest diverse van alle levensvormen. Samenwerking is daarom essentieel: omdat we allemaal verschillend zijn, zijn anderen sterk waar wij zwak zijn en vice versa. Het bemoeilijkt echter ook de cohesie, omdat we allemaal op verschillende manieren op uitdagingen reageren. Dat maakt leiderschap noodzakelijk, maar ook veeleisend:
Deze grote verscheidenheid en de noodzaak van gemeenschapsleven, zijn essentiële elementen in de menselijke natuur. Maar het welzijn van de samenleving vereist een leider die in staat is de handelingen van ieder individu te reguleren; zij moeten elke tekortkoming aanvullen, elke overmaat wegnemen en het gedrag van iedereen voorschrijven, zodat de natuurlijke verscheidenheid in evenwicht wordt gehouden door de uniformiteit van de wetgeving, waardoor de orde in de samenleving een stevige basis krijgt. (Maimonides, Gids der Verdoolden, Boek 2, Hoofdstuk 40)
Leiders respecteren verschillen, maar integreren deze, net als de dirigent van een orkest, en zorgen ervoor dat de vele verschillende instrumenten hun rol in harmonie met de rest spelen. Echte leiders streven er niet naar uniformiteit op te leggen. Zij waarderen diversiteit.
De tweede aanwijzing is vervat in het woord iesj, “een persoon” aangesteld over het volk, waarop God antwoordt: “Laat Jehosjoea bij je komen, (…) een man (iesj) die geestkracht bezit” (v.18). Het woord iesj duidt hier op iets anders dan geslacht. Dit is te zien op de twee plaatsen waar de Tora de uitdrukking ha-iesj Mosjee, “de man Mosje” gebruikt:
De eerste staat in Sjemot:
“[De man] Mosjee stond zelfs in hoog aanzien [gadol me’od, letterlijk “was zeer groot”] bij de hovelingen en bij het Egyptische volk.” (Sjemot 11: 3)
De tweede staat in Bemidbar:
“Nu was [de man] Mosjee zeer bescheiden [anav me’od], niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij.” (Bemidbar 12: 3)
Let op de twee schijnbaar tegengestelde kenmerken – groot en nederig – die Mosjee beide in hoge mate (me’od, “zeer”) bezat. Dit is de combinatie van eigenschappen die Rabbi Jochanan aan God zelf toeschreef: “Waar je Gods grootheid vindt, daar vind je Zijn nederigheid.” Hier is een van zijn bewijsteksten: “Want de Eeuwige, uw God, is de hoogste God en Heer. Hij is de grote, de machtige, de ontzagwekkende God. Hij handelt zonder aanzien des persoons en is onomkoopbaar; Hij verschaft de weduwen en wezen recht, neemt vreemdelingen in bescherming en voorziet hen van voedsel en kleding.” (Dewariem 10: 17-18)
Een iesj in de context van leiderschap is geen man, maar eerder iemand die een mensch is, iemand die zijn grootheid met lichtheid draagt, die zich bekommert om de mensen die anderen vaak negeren, “de wees, de weduwe en de vreemdeling”, die evenveel tijd doorbrengt met de mensen aan de rand van de samenleving als met de elite, die in gelijke mate hoffelijk is tegenover iedereen en die respect ontvangt omdat zij respect geven.
De werkelijke verwarring ligt echter in de derde zin: “Kies iemand boven de gemeente die voor hen uitgaat en voor hen ingaat, die hen naar buiten leidt en hen binnenbrengt.” [Letterlijk vertaald, anders dan in de Tanach.] Dit klinkt alsof je twee keer hetzelfde zegt, wat de Tora meestal niet doet. Wat betekent dat?
De Tora zinspeelt hier op een van de meest uitdagende aspecten van leiderschap, namelijk timing en tempo. De eerste zin is simpel: “die voor hen uitgaat en voor hen ingaat”. Dit betekent dat een leider voorop moet gaan. Ze kunnen niet zijn zoals de apocriefe opmerking van een Britse politicus: “Natuurlijk volg ik de partij. Ik ben tenslotte hun leider.”
De tweede zin is van cruciaal belang: “die hen naar buiten leidt en hen binnenbrengt”. Dit betekent: een leider moet voor hen uit gaan, maar hij of zij mag niet zo ver vooroplopen dat ze, wanneer ze zich omdraaien, merken dat niemand hen volgt. Tempo is essentieel. Soms kan een leider te snel gaan. Dat leidt tot tragedies.
Om twee heel verschillende voorbeelden te noemen: toen Margaret Thatcher premier was, wist ze dat ze een lange en bittere strijd met de mijnwerkersvakbond zou moeten aangaan. In 1981 gingen ze in staking voor een loonsverhoging. Mevrouw Thatcher informeerde onmiddellijk naar de omvang van de kolenvoorraden. Ze wilde weten hoe lang het land het zonder nieuwe kolenvoorraden zou kunnen volhouden. Zodra ze ontdekte dat de voorraden laag waren, liet ze de facto de overwinning aan de mijnwerkers. Vervolgens regelde ze, heel stilletjes, dat er kolen werden opgeslagen. Het resultaat was dat ze, toen de mijnwerkers in 1983 opnieuw in staking gingen, zich verzette tegen hun eisen. Er vond een langdurige staking plaats, en dit keer waren het de mijnwerkers die hun nederlaag moesten erkennen. Een strijd die ze in 1981 niet kon winnen, kon ze in 1983 wél winnen.
Een heel ander voorbeeld was dat van de Israëlische premier Jitschak Rabin. Het vredesproces met de Palestijnen, waar hij tussen 1993 en 1995 mee bezig was, was zeer controversieel, zowel binnen Israël als daarbuiten. Er was wel wat steun, maar ook veel tegenstand. De spanning liep op in 1995. In september van dat jaar schreef ik een artikel in de pers waarin ik hem mijn persoonlijke steun gaf. Tegelijkertijd schreef ik hem echter in besloten kring dat ik me grote zorgen maakte over de interne weerstand tegen het plan en drong ik er bij hem op aan om evenveel tijd te besteden aan onderhandelingen met zijn medeburgers in Israël – met name de religieuze zionisten – als aan de Palestijnen. Ik heb geen antwoord ontvangen.
Op Motzei Sjabbat, 4 november 1995, hoorden we het nieuws dat premier Rabin tijdens een vredesbijeenkomst was vermoord door een jonge religieuze zionist. Ik was aanwezig bij de begrafenis in Jeruzalem. De volgende dag ging ik terug van het vliegveld rechtstreeks naar de Israëlische ambassadeur om met hem te praten over de begrafenis, waar hij niet bij kon zijn omdat hij in Londen moest blijven om de media te woord te staan.
Toen ik zijn kantoor binnenkwam, overhandigde hij me een envelop met de tekst: “Deze is zojuist voor u aangekomen in de diplomatieke tas.” Het was Jitschak Rabins antwoord op mijn brief – een van de laatste brieven die hij ooit schreef. Het was een ontroerende herbevestiging van zijn geloof, maar tragisch genoeg was hij tegen de tijd dat ik de brief kreeg al niet meer in leven. Hij had vrede nagestreefd, zoals ons geboden is, maar hij was te snel gegaan voor degenen die nog niet bereid waren te luisteren.
Mosjee wist dit zelf uit de episode van de verspieders. Zoals Maimonides zegt in De Gids der Verdoolden: de taak om veldslagen te voeren en het land te veroveren was gewoon te veel voor een generatie die in slavernij was geboren. Het kon alleen door hun kinderen, degenen die in vrijheid geboren waren, volbracht worden. Soms duurt een reis die op de kaart kort lijkt, veertig jaar. Respect voor diversiteit, zorg voor de nederigen en machtelozen én de machtigen en groten, en de bereidheid om niet sneller te gaan dan mensen kunnen dragen – dit zijn drie essentiële eigenschappen van een leider, zoals Mosjee uit ervaring wist en zoals Jehosjoea leerde tijdens zijn lange leertijd bij de grote man zelf.
