Sjabbat Reë, 23 augustus 2025/29 av 5785
Dewariem/Deuteronomium 15: 1 – 23, 16: 1 – 17; Tanach blz. 382 – 385.
Haftara: I Samuel 20: 18 – 42; Tanach blz. 583 – 885.
Vertaler: Eddy Robles
Coördinatie: Harry Polak
Commentaar: dr. Malka Strasberg Edinger, o.a. logopedist en betrokken bij het JTS
Use the link to read or listen to the original text in English.
_________________________________________________
Weten of niet weten
Het centraal stellen van cultische aanbidding is een van de belangrijkste thema’s in het boek Deuteronomium. De plaats van die aanbidding, de Tempel, wordt echter beschreven als “de plaats die G-d zal uitkiezen”, zonder dat er wordt vermeld waar die plaats zal zijn. De parasja van deze week, parasja Reë, introduceert het thema dat de Israëlieten, eenmaal in het Land Israël, hun G-d moeten aanbidden in “hamakom asjer jivchar Hasjeem” (de plaats die G-d zal uitkiezen). Deze vage formulering, die alleen verwijst naar een specifieke plaats maar niet specificeert waar die plaats is, wordt 21 keer herhaald in het boek Deuteronomium, waarvan 16 keer alleen al in deze parasja.
Deze verwijzing naar de locatie van de Tempel roept veel vragen op. Waar zou de Tempel gebouwd moeten worden? Hoe konden de Israëlieten weten dat G-d een specifieke locatie had uitgekozen? Verwijst de uitdrukking naar één centrale plaats van aanbidding in plaats van naar meerdere plaatsen van aanbidding? Is het aantal plaatsen van aanbidding niet van belang, maar de keuze van die plaatsen door G-d? Kan dit worden opgevat als een suggestie dat er in een bepaalde tijd slechts één plaats van aanbidding moet bestaan, maar dat de locatie van die ene plaats in de loop van de generaties kan veranderen? De belangrijkste vraag is echter: waarom wordt de locatie van de Tempel nooit expliciet vermeld?
Het kan niet worden betwist dat vage plaatsbeschrijvingen kenmerkend zijn voor het boek Deuteronomium, want veel locaties in Deuteronomium worden tot in detail beschreven. Zo begint deze parasja met het gebod om “de zegen en de vloek te geven” bij het binnengaan van het land op twee bergen. De locaties van de bergen worden vervolgens beschreven in 11: 30: “Deze bergen liggen ten westen van de Jordaan, ter hoogte van Gilgal, vlakbij de eiken van Moree. Ze zijn te bereiken over de weg die door het gebied van de Kenaänieten in de Jordaanvallei naar het westen loopt.” Voor een boek dat locaties duidelijk tot in detail kan beschrijven, is het opvallend dat de locatie van de Tempel, een zeer belangrijke locatie, onduidelijk blijft.
Rambam suggereert in zijn Gids voor de Verdoolden (3: 45) dat Mosjee de plek niet specifiek aangaf om te voorkomen dat andere volken deze zouden bezetten of erom zouden vechten, en ook om te voorkomen dat de twaalf stammen zouden vechten over wie de erfenis van het land zou ontvangen waar de Tempel zou staan, aangezien dit tot verdeeldheid en onenigheid binnen het volk zou leiden. Helaas benadrukken de gebeurtenissen van de afgelopen jaren de diepgang van deze suggesties. Er wordt zoveel gevochten rond de Tempelberg, zowel binnen de Joodse religie als daarbuiten. Het ongelukkige gevolg is dat een heilige plek bezoedeld wordt door haat en geweld. Mensen zullen altijd wel iets vinden om over te vechten, maar een heilige plek door het slijk halen, bezoedelt de heiligheid ervan.
De haftara van deze week is de derde in een reeks van zeven haftarot tussen Tisja Be’av en Rosj Hasjana, bekend als de shiva d’nechemta, de “Zeven van Troost”. Deze haftarot werden niet gekozen vanwege hun relatie met de wekelijkse parasja, maar vanwege hun relatie met de tijdsperiode. Nadat we de verwoesting van de twee Tempels op Tisja Be’av herdenken, brengen deze zeven profetieën van troost ons het gerief dat G-d beloofd heeft ons uit ballingschap te verlossen. Volgens de Talmoed (JT Joma 1: 1; BT Joma 9a-b) werd de Tweede Tempel verwoest vanwege sinat chinam. Deze uitdrukking wordt over het algemeen vertaald als “ongegronde haat”, maar ik vertaal het liever als “tomeloze haat”, want wie van ons gelooft ooit dat onze haat ongerechtvaardigd is? “Tomeloze haat” drukt eerder de neiging uit van mensen om anderen gemakkelijk en zonder berouw te kleineren of te haten.
Ik stel niet voor dat alle Joden zich verenigen tot één homogene groep. Ik stel geen eenheid voor tussen Joodse facties. De Joden als volk waren nooit echt verenigd; onze geschiedenis kent vele sekten die elkaar tegenstonden: Farizeeën versus Sadduceeën, Karaïeten versus Rabbinieten, Chassidiem versus Mitnagdiem, en de overvloed aan denominaties die er vandaag de dag bestaan. Eenheid is nooit onze sterkste punt geweest. Ik geloof echter wel dat we moeten streven naar respectvolle verdeeldheid. Laten we elkaars verschillen omarmen, maar niet tegen elkaar vechten en elkaars religieuze uitingen niet proberen te beperken op basis van onze eigen religieuze overtuigingen. Hoeveel strijd zouden we kunnen beperken als we mensen gewoon anders laten zijn dan wijzelf? Als de Tempels werden verwoest vanwege sinat chinam, spreekt het voor zich dat toekomstige verlossing kan voortkomen uit ahavat chinam, de neiging om elkaar te respecteren en te accepteren – en misschien zelfs lief te hebben.
Misschien had Rambam gelijk dat Deuteronomium ervoor koos de toekomstige locatie van de Tempel te verbergen om de vrede even te bewaren. In Tom Petty’s lied “The Waiting” uit 1981 begint en eindigt het refrein met de opmerking: “Het wachten is het moeilijkste deel.” Ik ben het op dit punt altijd respectvol oneens geweest met meneer Petty. Ik heb altijd het gevoel gehad dat niet weten moeilijker is dan wachten. Wachten op iets dat gegarandeerd gebeurt, is makkelijker dan wachten op een onbekende uitkomst. Over het algemeen denk ik altijd dat het beter is om informatie te weten dan niet te weten, want met kennis komt de mogelijkheid tot voorbereiding. Maar als ik denk aan de Tempel en zijn verborgen locatie als hamakom asjer jivchar Hasjeem, betrap ik mezelf erop dat ik mijn standpunt opnieuw overweeg. Misschien zit er iets in het niet weten. Misschien zorgde het niet kennen van de specifieke locatie van de Tempel voor een niveau van heiligheid dat niet langer mogelijk was als de locatie onthuld was.
Door de locatie van de Tempel achter te houden, kon men de nadruk beter leggen op wat de Tempel werkelijk vertegenwoordigde voor Deuteronomium: een afwijzing van heidense gebruiken en een toewijding aan het dienen van een transcendente G-d, zonder te hoeven vechten over de fysieke locatie.
Mogen we allen streven naar vrede en verdienste om heiligheid te zien op de plaats die G-d zal kiezen.