Sidra Emor

Sjabbat Emor, 2 mei 2026/ 15 Ijar 5786

Wajikra/Leviticus 21: 1 – 22: 16  Tanach blz. 2241.

Haftara: Jechezkeel 44:15 – 31;  Tanach blz. 1131 – 1132.

Vertaler: Thea Koster

Coördinatie: Channa Kistemaker

Commentaar:Rachel Rosenthal, JTS-alumnus (Kekst Graduate School), Gemara docent en directeur interne zaken, Yeshivat Maharat.

Oorspronkelijke Engelse tekst

 

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

Wie hoort erbij?

Wie is de Ander? Deze vraag, die steeds vaker wordt gesteld in onze wereld, is vaak niet gemakkelijk te beantwoorden. Kun je ervoor kiezen om deel uit te maken van een gemeenschap? Worden mensen die ooit buitenstaanders waren helemaal volledig als insiders verwelkomd? In het jodendom zijn deze vragen bijzonder belangrijk. Hoewel het jodendom categorieën kent om niet-Joden te definiëren en zelfs te prijzen, is het niet eenvoudig om je bij de joodse gemeenschap aan te sluiten. De Talmoed leert ons echter dat we iemand die zich tot het jodendom bekeert, moeten behandelen als elke andere Jood. Helaas is dit een missie waar veel gemeenschappen in falen. Dit falen kan aanzienlijke gevolgen hebben, zoals we zien in de parasja van deze week, Emor.

Aan het einde van de sidra Emor vertelt de Tora het verhaal van de godslasteraar, de man die God vervloekt. Op het eerste gezicht is dit verhaal niet bijzonder complex. Een man vervloekt de naam van God, en wordt daarom vastgehouden totdat God een straf voor hem kan uitspreken. God zegt tegen het volk dat iedereen die zijn godslastering gehoord heeft, de man buiten het kamp moet brengen en hem moet stenigen (Wajikra 24:10-16). Dit wordt het voorbeeld voor de executie van mensen die moord met voorbedachte rade begaan, zowel in de Tora als in de rabbijnse traditie.

Een nadere beschouwing van het verhaal laat echter zien dat het ingewikkelder is dan het aanvankelijk lijkt. De Tora wijst op een aantal merkwaardige details. In pasoek 10 zegt de Tora: “Met de Jisraëlieten was een man meegekomen die geboren was uit een Jisraëlietische vrouw en een Egyptische man. Toen deze man op zekere dag slaags raakte met een Jisraëliet . . . .” Er staat niets in de Tora over de reden van dit gevecht, noch is het duidelijk hoe het gevecht ertoe leidde dat de zoon van de Israëlitische vrouw godslastering pleegde. We weten niet waarom de moeder van de man in het volgende vers wordt genoemd, maar hijzelf niet. En tot slot, de vraag waar ik steeds op terugkom is: waarom is het van belang dat deze man half-Egyptisch is?

De midrasjiem onderzoeken de afstamming van de man in detail en leggen uit hoe de geschiedenis van zijn ouders ons helpt zijn misdaad te begrijpen. Wajikra Rabbah legt uit dat de vader van deze man de Egyptenaar was die Mozes doodde in Egypte, voordat hij vluchtte en uiteindelijk de brandende struik tegenkwam. Omdat de vader van de godlasteraar geen Jisraëliet was, had hij geen deel aan het Beloofde Land en geen vaste plaats in het kamp. Ondanks dat hij gegronde redenen had om zich vervreemd te voelen van de Jisraëlitische gemeenschap, beweert Ramban (die de Sifra citeert) dat hij ervoor koos zich te bekeren door zich onder te dompelen in het mikwe en een besnijdenis te ondergaan. Hij voelt zich echter nog steeds buiten de gemeenschap staan. De Sifra plaatst de oorsprong van het conflict tussen de godlasteraar en de Jisraëliet dan ook in de kwestie of de godslasteraar wel of niet thuishoort bij de stam van Dan, de stam van zijn moeder.

Deze midrasjiem zijn opvallend omdat ze, al dan niet opzettelijk, de godslasteraar tot een sympathieker personage maken. Hoewel er geen poging wordt gedaan om de keuze tot godslastering goed te praten, wordt het, hoe meer er over de achtergrond van de godslasteraar wordt verteld, steeds makkelijker te begrijpen wat hem ertoe zou hebben bewogen om God uiteindelijk te vervloeken. Zijn vader werd gedood door de leider van zijn gemeenschap. Hij wordt verstoten door de stam waarin hij een plek probeert te vinden. Hij staat bekend als de zoon van de Egyptische vader, in plaats van een Jisraëliet als ieder ander. Is het dan verwonderlijk dat hij uiteindelijk uithaalt en de godheid vervloekt die heerst over het volk dat hem verstoten heeft?

De godslasteraar is ongetwijfeld de meest verantwoordelijke voor zijn daden. De gemeenschap wordt echter ook gedwongen om haar eigen schuld onder ogen te zien. In pasoek 14 beveelt God dat alle mensen die de man God hoorden vervloeken, hun handen op zijn hoofd moeten leggen, een ritueel dat vergelijkbaar is met het offerritueel voor een dier dat namens hen geofferd zal worden. De handoplegging symboliseert deels hun afwijzing van zijn daden; het feit dat ze aanwezig waren, betekent niet dat ze zijn daden goedkeurden. Het dwingt hen echter ook te erkennen dat ze erbij waren en dus een kleine rol hebben gespeeld in de executie van deze man. Misschien, als ze deze man anders hadden behandeld was de situatie niet zo geëscaleerd, was God niet vervloekt en had niemand ter dood hoeven worden gebracht .

Hoewel we tegenwoordig geen mensen meer executeren voor godslastering, zijn de lessen van dit verhaal ook nu nog zeer relevant. Wanneer we onze gemeenschappen – in welke vorm dan ook – verdelen in insiders en outsiders, zaaien we pijn en afwijzing met mogelijk onbekende gevolgen. Velen van ons zien zichzelf meer als de Jisraëlieten dan als de godslasteraar in dit verhaal, maar dat betekent dat we het beter moeten doen dan de Jisraëlieten. We moeten leren van wat zij deden en een manier vinden om onze deuren te openen in plaats van mensen buiten te sluiten. Waar om ons heen voelen mensen zich afgewezen als ze proberen binnen te komen? Waar zaaien we verdeeldheid terwijl we zouden kunnen verenigen? Wanneer sluiten we mensen uit die eigenlijk meer op ons lijken dan we misschien willen toegeven?