Sidra Ki Tétsé

Sjabbat Ki Tétsé, 22 augustus 2026/ 9 Elloel 5786

Dewariem/Deuteronomium 21: 10 – 23:9 ; Tanach blz. 393.

Haftara: Jesjajahoe 54:1 –10;  Tanach blz. 892.

Vertaler: Benajmin Cohen

Coördinatie: Channa Kistemaker

Commentaar:Rabbijn Sari Laufer is geestelijk leider bij de Stephen Wise Temple te Los Angeles.

Oorspronkelijke Engelse tekst

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

Hoe kunnen vogels ons iets leren over mededogen?

Als ik je zou vragen wat verloren voorwerpen, vogelkuikens, daken en eigenwijze kinderen met elkaar gemeen hebben, dan zou je kunnen denken dat dit het begin was van een flauwe grap. Ki Tétsé lijkt op het eerste gezicht een mengelmoes van wetten die vaak zeer pijnlijke onderwerpen aansnijden. We zien wetten over gevangen vrouwen, onbeminde tweede echtgenotes, strikte gendernormen, en nog meer. Ki Tétsé is geen prettige lectuur, vooral niet voor de moderne lezer.

Laten we eens de jonge vogels nemen, en de vreemde mitswa die bekend staat als “sjiloeach haken” in Dewariem 22:6-7.

“Als u onderweg toevallig een vogelnest vindt in een boom of op de grond, een nest waarin een vogel op haar jongen of haar eieren zit, dan moet u het moederdier zelf ontzien als u het nest mocht uithalen. De jongen mag u meenemen, maar de moeder moet u in elk geval laten gaan. Dan zal het u goed gaan, een lang leven zal u beschoren zijn.”

Hoewel we ons kunnen afvragen hoe vaak dit specifieke scenario zich voordeed bij de oude Israëlieten, is de belangrijkere vraag: waarom staat dit gebod hier? Wat moeten we ervan leren?

Één antwoord leidt ons naar een rabbijns concept. De rabbijnen zien betekenis in wat zij “semichoet haparsjijot” noemen, de verbanden tussen verzen. Voor hen kan het geen willekeurige verzameling wetten zijn. Daarom leren zij dat we uit deze parasja het concept van “mitzva goreret mitzva” leren, de ene mitswa leidt tot de andere. Midrasj Tanchuma, Ki Tétsé 1 leert:

“De ene mitswa leidt tot de andere mitswa. Hoe weten we dat? Er staat geschreven: ‘Als je een vogelnest vindt, laat dan de moeder gaan.’ (Dewariem 22:6-7). Wat staat er daarna? ‘Wanneer je een nieuw huis bouwt’ (Dewariem 22:8). Wanneer je de mitswa van het laten gaan van de moedervogel naleeft, is je beloning dat je een nieuw huis voor jezelf mag bouwen, en dan mag je de mitswa van ma’akè doen (het bouwen van een reling voor je dak).”

Rasji’s commentaar op Dewariem 22:8 verduidelijkt:

“Als iemand het gebod heeft vervuld om een moedervogel te laten gaan wanneer het nest wordt leeggehaald, zal hij uiteindelijk het voorrecht hebben om een nieuw huis te bouwen en het gebod te vervullen ‘een reling te maken’, want elke goede daad brengt een andere goede daad met zich mee, en je zult een wijngaard, akkers en mooie kleren verkrijgen. Daarom staan deze gedeelten naast elkaar.”

In deze interpretatie zijn dit dus geen willekeurige verzen die naast elkaar zijn geplaatst, maar verzen die diep met elkaar verbonden zijn; het ene kan niet zonder het andere bestaan.

Echter, zelfs dan nog blijf ik me afvragen wat we nog meer uit deze tekst moeten opmaken. Als ik mijn leven lang nooit een vogelnest met jonge vogels of eieren en de moedervogel die erop zit tegenkom, wat kan ik dan met dit vers?

Ramban, een vooraanstaand geleerde uit de middeleeuwen, suggereert dat deze mitswaweinig te maken heeft met het jonge vogeltje of de moeder, maar alles met ons. In zijn uitleg van Deuteronomium 22:6 licht hij dit toe: “De reden voor het verbod [om de moeder met haar nest te vangen, of om de moeder met haar jongen op één dag te doden] is om ons de eigenschap van mededogen te leren en dat we niet wreed moeten zijn.”

De geleerde Adele Berlin gaat verder dan mededogen en stelt in haar inleiding op Ki Tétsé in “Torah: A Women’s Commentary” voor:

“Waar Parasjat Sjoftiem zich concentreert op overheidsfunctionarissen, zijn de meeste wetten in Ki Tétsé gericht op gewone mensen. Wat ooit wellicht als familiezaken werd beschouwd – zoals de rechten van een minder geliefde echtgenote, de bestraffing van eigenwijze kinderen, het vinden van verloren voorwerpen – zijn hier zaken die de hele samenleving aangaan.”

Ki Tétsé is zeker een willekeurige verzameling wetten. Tegelijkertijd zien we misschien een rode draad door de sidralopen. Die verbindt misschien niet alles, maar als we de opsomming van wetten in Ki Tétsé lezen – wetten over oorlogsmoraal, seksuele grenzen en verboden relaties – vinden we wetten die erop gericht zijn de balans tussen rijk en arm te herstellen, de meest kwetsbare mensen te beschermen en een ideale Jisraëlitische samenleving te creëren.

Misschien nog fundamenteler zijn deze wetten over verloren eigendommen, jonge vogels, onbeminde tweede echtgenotes en zelfs (wellicht) gendernormen bedoeld om ons mededogen te leren; ze zijn er om ons eraan te herinneren dat we verplicht zijn elkaar lief te hebben en voor elkaar te zorgen.