Sjabbat Balak, 27 juni 2026/ 12 Tammoez 5786
Bemidbar/Numeri 22: 2 –35; Tanach blz. 314.
Haftara: Micha 5:6 – 6:8; Tanach blz. 1189 – 1191.
Vertaler: Channa Kistemaker
Coördinatie: Channa Kistemaker
Commentaar: Loraine Enlow doceert aan het Jewish Theological Seminary te New York.
Use the link to read or listen to the original text in English.
_________________________________________________
Wie ziet de waarheid en wie spreekt haar uit?
Iedereen die vaak met de New Yorkse metro reist kent de slogan “Zie je iets, zeg er wat van.” Het verhaal van Bilam in de sidra van deze week komt eerder neer op: “Zeg iets, want je hebt iets niet gezien.” “Zie je iets, zeg er wat van” gaat er immers van uit dat het moeilijkste is om je uit te spreken, maar sidra Balak suggereert dat het moeilijkste misschien wel is om überhaupt iets op te merken. Met name wanneer Bilam, de professionele ziener, de engel op de weg niet ziet, terwijl zijn ezel die wel ziet. Deze omkering van wie iets opmerkt (en wie iets over het hoofd ziet wat recht voor hun neus ligt) is wat me zo fascineert in deze passage. Als wetenschapper die zich voornamelijk bezighoudt met middeleeuwse Joodse en christelijke bijbelcommentaren, ben ik vooral geïnteresseerd in hoe teksten zich verspreiden, hoe gemeenschappen ze bewaken en hoe buitenstaanders soms kunnen helpen om een traditie te verhelderen. Bijbelinterpretatie is in zekere zin zelf de discipline van het opmerken van ‘engelen op de weg’, van het leren zien wat al recht voor je neus in de tekst aanwezig is.
Het verhaal van Bilam is een bijzonder goede plek om te zien hoe die interpretatiedynamiek zich ontvouwt, omdat hij als personage een gedeeld (en betwist) referentiepunt wordt in zowel Joodse als christelijke lezingen bij het nadenken over gevaarlijke taal en valse profetie. Het Nieuwe Testament verwijst al naar Bilam als een middel tot polemiek (Openbaring 2:14, Judas 11, 2 Petrus 2:15), terwijl rabbijnse tradities hem vaak interpreteren als het voorbeeld van een goddeloze profeet van de heidenen. Maar ondanks deze categorieën die al vroeg in beide tekstgemeenschappen zijn vastgesteld, verzet Bilam zich tegen eenvoudige binaire indelingen. Hij is noch een Jisraëliet, noch volledig buiten Gods plan; hij is tegelijkertijd een buitenstaander, deelnemer, criticus én onwillige getuige. Misschien is de interessantere vraag dus niet of Bilam goed of kwaad is, profeet of bedrieger, insider of outsider, maar: Wat is er nodig om te zien wat er al die tijd al was?
Een klein detail in de beschrijving van Bilam in de Tora aan het begin van zijn toespraak, een zin over zijn oog, is voor generaties van uitleggers een scharnierpunt geworden in hun overwegingen over wat het betekent om te ‘zien’:
“(…) en hief deze orakelspreuk aan: ‘Zo spreekt Bilam, de zoon van Beor, zo spreekt de man sjetoem ha-ajin [betekenis onduidelijk].’ (Wajikra 24:3)
Om de ongebruikelijke Hebreeuwse uitdrukking sjetoem ha-ajin, die alleen in dit hoofdstuk voorkomt, te verklaren, baseert Rasji zich op de aggadische interpretatie van BT Sanhedrin 105a, die stelt dat het gebruik van het enkelvoudige “ajin” (oog) in de Tora aangeeft dat Bilam blind was aan één oog. Wat de filologische waarde hiervan ook moge zijn, het exegetische punt is duidelijk: de man die beweert visionaire autoriteit te bezitten, wordt gekenmerkt door gedeeltelijk zicht. Hij ziet, maar slechts met één oog; hij weet, maar niet volledig.
Bilams falen kan daarom niet alleen worden geïnterpreteerd als goddeloosheid, maar ook als onterechte zelfverzekerdheid. Hij gaat ervan uit dat hij, omdat hij een ziener is, alles ziet; het is echter de oplettendheid van de ezel die de engel op de weg daadwerkelijk waarneemt. De schoonheid van bijbelcommentaar is dat geen enkele lezer alles volledig ziet. Joodse lezers, christelijke lezers, middeleeuwse lezers, moderne geleerden – allen zien in zekere zin sommige dingen helder en missen andere. In de studie van teksten, tradities en hun lange geschiedenis van ontmoetingen is de zorgvuldige aandacht van de ezel een zeldzame gave. Maar wat maakt zien überhaupt mogelijk?
Als we verder kijken dan de fysieke gesteldheid en het karakter van Bilam, kan dit verhaal ook gelezen worden als een verhaal over onze menselijke waarneming zelf.
“Toen opende de Eeuwige Bilam de ogen.” (Wajikra 22:31)
Rabbi Tobias ben Eliezer, een elfde-eeuwse tijdgenoot van Rasji uit het Byzantijnse Rijk, schrijft in zijn Lekach Tov:
“Toen opende de Eeuwige Bilam de ogen – dit leert ons dat de hele wereld blind wordt geacht totdat de Heilige, gezegend zij Hij, hun ogen opent. Zo ook [met Hagar]: “En God opende haar ogen, en zij zag een waterput” [Beresjiet 21:19]. Er zijn veel dingen, en het menselijk oog heeft niet de macht om ze te zien totdat de Heilige, gezegend zij Hij, het toestaat.”
De overgang van Ben Eliezers verhaal van Bilam naar Hagar is bijzonder treffend: in beide gevallen opent God de ogen van niet-Jisraëlieten voor iets dat er al is. De put en de engel zijn misschien wonderbaarlijk, maar het diepere wonder is dat beide aanwezig waren voordat mensen ze konden zien. Bovendien maakt Lekach Tov dit verhaal niet alleen tot een verhaal over Bilams tekortkomingen. Het gaat om een algemeen menselijke beperking: “de hele wereld wordt blind geacht” totdat God onze ogen opent. Zo gelezen waarschuwt de sidra van deze week niet zozeer voor kwaadaardige buitenstaanders, maar vraagt ze insiders om te erkennen hoeveel van de werkelijkheid (tekstueel, moreel, spiritueel) we regelmatig ongemerkt aan ons voorbij laten gaan.
Er schuilt iets subversiefs, en naar mijn mening oprecht hoopvols, in een traditie die een centrale les over visie en goddelijke wijsheid opbouwt rond een niet-Jisraëlitische profeet en een sprekende ezel. Voor een ontwikkeld modern publiek dat leeft te midden van zelfverzekerde beweringen van alle kanten, biedt sidra Balak een tegenwicht aan onze New Yorkse “zie je iets, zeg er iets van”-instincten. Het moedigt ons aan om de tekst te lezen met minder zekerheid over wat we al “zien”, en met meer bereidheid om onze ogen te openen voordat we spreken. Want als zelfs Bilam de waarheid kan spreken, en zelfs een ezel kan opmerken wat de profeet mist, dan is het onze gezamenlijke taak om het soort lezers – en buren – te worden wiens aandacht ruimte maakt voor waarheden die we niet verwachtten te horen, misschien zelfs af en toe van mensen die we niet verwachtten te kunnen vertrouwen.
