31 mei 2025/ 4 siewan 5785
Bemidbar/Numeri 3: 14 – 51, 4: 1 – 20; Tanach blz. 267 – 270.
Haftara: Nechèmja 12: 27 – 47; Tanach blz.1693 – 1695.
Vertaler: Frits Pront
Coördinatie: Harry Polak
Commentaar: rabbijn Jonathan Sacks z.l., o.a. Opperrabbijn van het Gemenebest
Use the link to read or listen to the original text in English.
_________________________________________________
Leidinggeven aan een natie van individuen
Lessen in leiderschap
Het boek Bemidbar begint met een volkstelling onder Jisraëlieten. Daarom staat dit boek in het Nederlands bekend als Numeri. Dit roept een aantal vragen op: wat is de betekenis van het doen van deze telling? En waarom hier aan het begin van het boek? Bovendien zijn er al twee eerdere volkstellingen geweest en is deze de derde in een tijdsbestek van een jaar. Eén zou zeker voldoende zijn geweest. Bovendien, heeft het tellen iets te maken met leiderschap?
Waar we moeten beginnen is waar het opvalt dat er een tegenstrijdigheid lijkt te bestaan. Enerzijds zegt Rasji dat het doen van tellingen in de Tora tekenen zijn van Gods liefde:
“Omdat zij (de Kinderen van Jisraëel) Hem dierbaar zijn, telt God hen vaak. Hij telde ze toen ze op het punt stonden uit Egypte te vertrekken. Hij telde ze na het Gouden Kalf om vast te stellen hoeveel er nog over waren. En nu Hij op het punt stond te midden van hen te gaan wonen (met de inhuldiging van het Heiligdom), telde Hij ze opnieuw.” (Rashi naar Bemidbar 1:1).
Als God een volkstelling van de Jisraëlieten initieert, is het om te laten zien dat Hij hen liefheeft. Anderzijds zegt de Tora expliciet dat het doen van een volkstelling van het volk omgeven is met risico’s:
“Toen zei God tegen Mosjee: “Als je onder de Jisraëlieten een volkstelling houdt, moeten allen die geteld worden de Eeuwige losgeld betalen voor hun leven, om te voorkomen dat de telling hun noodlottig wordt.” (Sjemot 30:11-12).
Toen eeuwen later Koning David de mensen telde, was God woedend en stierven er zeventigduizend mensen. Hoe is dit mogelijk, als tellen een uiting van liefde is?
Het antwoord ligt in de bewoordingen die de Tora gebruikt om de handeling van het tellen te beschrijven: se’oe et rosj, letterlijk, “tel hen hoofdelijk.”( Bemidbar 1: 2)
Dit is een vreemde, omslachtige uitdrukking. Bijbels Hebreeuws bevat veel werkwoorden die “tellen” betekenen: limnot, lifkod, lispor, lachsjov. Waarom gebruikt de Tora deze eenvoudige woorden niet voor de volkstelling en kiest in plaats daarvan de omslachtige bewoording, “het per hoofd tellen” van de mensen?
Het korte antwoord is als volgt: in elke officiële telling, of het oproepen op naam is er een neiging om je te concentreren op het totaal – de menigte, het grote aantal, de massa. Hier is een volk van zestig miljoen mensen of een bedrijf met honderdduizend werknemers of een sportpubliek van zestigduizend. Elk getal tendeert naar het waarderen van de groep of natie als geheel. Hoe groter het totaal, hoe sterker het leger, hoe populairder het team en hoe succesvoller het bedrijf.
Tellen devalueert het individu en heeft de neiging om hem of haar vervangbaar te maken. Als de ene soldaat sterft in de strijd, zal een andere zijn plaats innemen. Als één persoon de organisatie verlaat, kan iemand anders worden aangenomen om zijn werk te doen.
Ook is het algemeen bekend dat massa’s het in zich hebben om het individu zijn onafhankelijk oordeel te laten verliezen en anderen na te volgen. We noemen dit “kuddegedrag” en het leidt soms tot collectieve gekte. In 1841 publiceerde Charles Mackay zijn klassieke studie ”Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds”, die vertelt over de Zuidzeebubbel die duizenden mensen hun geld kostte in de jaren 1720, en de tulpenhype in Nederland toen hele fortuinen werden uitgegeven aan enkelvoudige tulpenbollen. De grote Crisissen van 1929 en 2008 vonden hun oorsprong in dezelfde massapsychologie.
Een ander belangrijk werk, Gustav Le Bon’s “The Crowd: A Study of the Popular Mind” (1895) liet zien hoe massa’s een ‘magnetische invloed’ uitoefenen op het gedrag van het individu en dit gedrag transformeert naar een collectieve ‘groepsgeest’. Zoals hij het uitdrukte: “Een individu in een massa is als een zandkorrel te midden van andere zandkorrels, die door de wind naar goeddunken opdwarrelt.” Mensen in een massa worden anoniem. Hun geweten wordt tot zwijgen gebracht. Ze verliezen een gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid.
Massa’s zijn bijzonder vatbaar voor regressief gedrag, primitieve reacties en ongecontroleerd optreden. Ze worden gemakkelijk meegevoerd door figuren die demagogen zijn, die inspelen op de angsten van mensen en hun gevoel van slachtofferschap. Dergelijke leiders, merkte Le Bon op, worden “vooral gerekruteerd uit de gelederen van die morbide nerveuze prikkelbare half gestoorde aan krankzinnigheid grenzende personen,” een opmerkelijk vooruitziende blik op de komst van Hitler. Het is geen toeval dat het werk van Le Bon in Frankrijk werd gepubliceerd in een tijd van toenemend antisemitisme en het Dreyfus-proces.
Vandaar de draagwijdte van één opmerkelijk kenmerk van het jodendom: zijn principiële nadruk – als geen enkele eerdere beschaving – op de waardigheid en integriteit van het individu. Wij geloven dat elk mens is geschapen naar het evenbeeld van God. De Wijzen zeiden dat elk leven als een heel universum is. Maimonides schreef dat ieder van ons zichzelf zou moeten zien alsof zijn/haar volgende handeling het lot van de wereld zou kunnen veranderen. Elke afwijkende mening wordt zorgvuldig vastgelegd in de Misjna, zelfs als de wet anders luidt. Elk vers in de Tora , zeiden de Wijzen, maakt tot wel zeventig interpretaties mogelijk. Geen stem, geen inzicht wordt tot zwijgen gebracht. Het jodendom staat ons nooit toe onze individualiteit in de massa te verliezen.
Er is een prachtige beracha die in de Talmoed wordt genoemd om te worden gezegd bij het zien van zeshonderdduizend Jisraëlieten samen op één plek. Hij luidt: “Geprezen bent U, Heer…die geheimen waarneemt.” De Talmoed legt uit dat elke persoon anders is. We hebben allemaal verschillende eigenschappen. We hebben allemaal onze eigen gedachten. Alleen God kan de geest van ieder van ons binnendringen en weten wat we denken, en dit is waar de zegen naar verwijst. Met andere woorden, zelfs in een enorme menigte waar, voor het menselijke oog, gezichten opgaan in een massa, verhoudt God zich nog steeds tot ons als individu, niet als onderdeel van een massa.
Dat is de betekenis van de uitdrukking “hoofdelijk”, gebruikt in de context van een volkstelling. God zegt tegen Mosjee dat er een gevaar bestaat, wanneer je een volk telt, dat elk individu zich onbeduidend zal voelen. “Wat ben ik? Welk verschil kan ik maken? Ik ben slechts een van de miljoenen, niet meer dan een golf in de oceaan, een zandkorrel aan de kust, stof op de buitenste rand van de oneindigheid.”
God gaat daar tegenin en zegt tegen dat hij de hoofden van de mensen moet optillen om te laten zien dat ze allemaal meetellen; ze doen ertoe als individuen.
Inderdaad is in de Joodse wet een davar sje-be-minyan, iets dat wordt geteld, eerder per stuk verkocht dan per gewicht, nooit veronachtzaamd, zelfs niet in een mengeling van duizend of een miljoen andere. In het jodendom moet een volkstelling altijd op zo’n manier worden gedaan dat wordt aangegeven dat we als individuen worden gewaardeerd. We hebben allemaal unieke gaven. Er is een bijdrage die alleen ik kan geven. Iemand hoofdelijk tellen betekent iemand een gunst verlenen, iemand erkennen. Het is een teken van liefde.
Er is echter een levensgroot verschil tussen individualiteit en individualisme. Individualiteit betekent dat ik een uniek en gewaardeerd lid van een team ben. Individualisme betekent dat ik helemaal geen teamspeler ben. Ik ben alleen geïnteresseerd in mezelf, niet in de groep. Harvard-socioloog Robert Putnam heeft dit een beroemde naam gegeven, door er de aandacht op te vestigen dat in de Verenigde Staten meer mensen dan ooit gaan bowlen met tien kegels, maar minder dan ooit lid worden van bowling teams. Hij noemde dit fenomeen “Bowlen in je eentje.” Massachusetts Institute of Technology professor Sherry Turkle noemt ons tijdperk liever het tijdperk van Twitter, Facebook en elektronica dan van rechtstreekse vriendschappen, “samen eenzaam .” Het jodendom hecht waarde aan individualiteit, niet aan individualisme. Zoals Hillel zei: “Als ik alleen voor mezelf ben, wat ben ik dan?”
Dit alles heeft implicaties voor het Joodse leiderschap. We houden ons niet bezig met het tellen van mensen. Het Joodse volk was altijd klein en bereikte desondanks grootse dingen. Het jodendom heeft een diep wantrouwen jegens demagogische leiders die de emoties van massa’s manipuleren. Mosjee sprak bij de Brandende Doornstruik over zijn onvermogen om welbespraakt te zijn. “Ik ben geen goed spreker” (Sjemot 4: 10). Hij dacht dat dit een tekortkoming was van een leider. In feite was het het tegenovergestelde. Mensen lieten zich niet beïnvloeden door Mosjee’s redenaarskunst. Integendeel, hij verhief ze door wat hij ze bijbracht.
Een Joodse leider moet individuen respecteren. Zij moeten “hen hoofdelijk tellen”. Als je ernaar streeft om leiding te geven aan een groep, hoe klein of groot hij ook mag zijn, moet je altijd kenbaar maken hoeveel waarde je hecht aan elk van hen inclusief aan degenen die door anderen worden uitgesloten: de weduwe, de wees en de vreemdeling. Je moet nooit proberen een massa te beïnvloeden door een beroep te doen op de primitieve emoties van angst of haat. Je mag nooit botweg over de meningen van anderen heen walsen.
Het is zwaar om een volk van individuen te leiden, maar dit is het meest uitdagende, machtige, inspirerende leiderschap dat bestaat.
