Sjabbat Besjallach, Sjabbat Sjiera, 31 januari 2026/ 13 Sjewat 5786
Sjemot/Exodus: 13: 17 – 14:25 Tanach blz. 135.
Haftara: Sjoftiem/Rechters 4:4 –24; Tanach blz. 492.
Vertaler: Channa Kistemaker
Coördinatie: Channa Kistemaker
Commentaar: Rabbijn Danielle Upbin doceert over Joodse spiritualiteit, meditatie en yoga. Ze is tevens hulprabbijn en gebedsleider bij de Beth Shalom-gemeente in Clearwater, Florida.
Use the link to read the original text in English.
_________________________________________________
Lied(eren) van de Zee
In sidra Besjallach vinden we twee liederen.
Het bekendste en meest uitgebreide van de twee is Sjirat Hajam (“Het Lied van de Zee”). Dit lied, dat achttien verzen van de Tora beslaat (Sjemot 15:1-15:18), is een symbool geworden van het geloof van de Jisraëlieten en hun erkenning van Gods rol als beschermer en krijger.
Sjirat Hajam is een centraal punt geworden in onze traditie en liturgie, opgenomen in onze gebedenboeken en elke ochtend gereciteerd. De rabbijnen hebben het lied opgenomen in onze gebedenboeken om te worden gereciteerd tijdens het gedeelte Pesuké Dezimra (“Liederen”) van onze ochtendgebeden. Wanneer we bij Sjirat Hajam aankomen tijdens de wekelijkse lezing van het Toragedeelte, geven we er eer aan door op te staan en het met een speciale melodie te zingen.
Het tweede lied, korter en minder plechtig, volgt direct na Sjirat Hajam. In Sjemot 15:20-21 vinden we de volgende verzen:
“De profetes Mirjam, Aharons zuster, pakte haar tamboerijn, en alle vrouwen volgden haar, dansend en op de tamboerijn spelend. En Mirjam zong dit refrein: ‘Zing voor de Eeuwige, Zijn macht en majesteit zijn groot! Paarden en ruiters wierp Hij in de zee.”
Het lied van Mirjam, opgetekend in één enkel vers, spreekt boekdelen. Sommige geleerden beweren dat deze twee liederen één en hetzelfde lied zijn. De 13e-eeuwse Franse geleerde Hizkia ben Manoa, beter bekend als de Chizkuni, betoogt dat, aangezien de Tora spaarzaam met woorden omgaat, het hele lied niet herhaald werd, maar slechts naar de eerste regel verwees, waarmee de rest werd gesuggereerd.
Maar de twee liederen dienen in feite verschillende functies. Sjirat Hajam is een verslag van dingen die gebeurden toen de Jisraëlieten volledig vertrouwen hadden in God en Mosjee, hun leider. Mirjams lied werkt meer als een gebed, de woorden lijken meer op liturgie.
Ten eerste, kijk naar de lengte: slechts één couplet. In oosterse religies kan één woord of zin dienen als middelpunt van het gebed. Door het woord steeds opnieuw te herhalen, kan de degene die bidt zich verliezen in de ervaring van de klank. In de chassidische traditie is dit hoe de nigoen functioneert: de zich telkens herhalende melodie wordt een meditatie, die de ziel beroert en het hart raakt. Men kan zich de vrouwen voorstellen als wervelende kleuren, dansend aan de kust, tamboerijnen in de hand, zingend tot God.
Ten tweede, kijk naar de structuur. Mirjams lied heeft iets dringends over zich. Sjirat Hajam begint met Az jasjier Mosjee – dan zal Mosjee zingen. Maar Mirjams lied is geschreven in de tegenwoordige tijd, in de meervoudige gebiedende wijs: Sjiroe l’Adonai, zing nu tot God. De Midrasj (Sjemot Rabbah 23:8) erkent dit en stelt dat toen Jisraëel uit de zee tevoorschijn kwam, de engelen eerst voor God zongen. Maar God zei: laat mijn kinderen eerst zingen, want zij zijn van vlees en bloed. Zij moeten nu zingen voordat zij sterven. Maar jullie, zolang jullie willen, mogen blijven leven en zingen. Mirjam greep het moment aan.
In de westerse cultuur ervaren we dit collectieve instinct om te zingen niet vaak, maar de mogelijkheden zijn er wel – bij bijzondere erediensten, of zelfs bij concerten waar menigten fans hun favoriete lied samen met de artiest zingen. En bij Joodse feesten komen bepaalde liederen vaak spontaan op onze lippen. Niemand hoeft gevraagd te worden om te zingen op een bruiloft of bar mitswa. We doen het instinctief tijdens de viering.
Tot slot, denk aan de instrumenten. De commentator Rasji vraagt zich af waar de vrouwen deze tamboerijnen vandaan haalden. Zou het kunnen dat de Jisraëlitische vrouwen, die midden in de nacht vanuit hun Egyptische huizen vluchtten met slechts een paar kostbare bezittingen en wat matzah om te eten, tamboerijnen meenamen? Rashi citeert een midrasj om dit te verklaren:
Dansend en op de tamboerijn spelend: “De rechtvaardige vrouwen van die generatie waren ervan overtuigd dat God wonderen voor hen zou verrichten; daarom namen ze tamboerijnen mee uit Egypte.”
Uit deze bereidheid om de instrumenten uit Egypte mee te slepen, kunnen we afleiden dat muziek een centrale rol moet hebben gespeeld in de oude eredienst. En als we het boek Tehilliem doorbladeren, wordt het duidelijk dat muziek inderdaad een centraal punt was in het Jisraëlitische gebed. Tehilliem 92 luidt: “Een psalm, een lied voor de sjabbat: (…) bij de klank van de tiensnarige harp en bij het ruisend spel van de lier.” Of Tehilliem 150: “Loof God met hoorngeschal, loof Hem met harp en lier, loof Hem met dans en tamboerijn, met snaren en fluit. Loof Hem met klinkende bekkens, loof Hem met slaande cimbalen.” In de oude tempel begeleidden de Levieten de offergaven met zang en muziekinstrumenten.
In onze tijd hebben we geen handleiding nodig om ons te leren zingen tijdens het bidden. Het gaat vanzelf. Melodieën verbinden ons met elkaar en met God. Er schuilt een mystieke kracht in ongeremde menselijke zang. Het verheft de geest en brengt ons in beweging, en herinnert ons aan de passie en het feestgedruis aan de kust.
Mogen we een voorbeeld nemen aan Mirjams liedboek en onze eigen unieke lofliederen voor God schrijven. Ze hoeven niet lang te zijn, gewoon liefdesboodschappen uit het hart. Waar we ons ook bevinden, mogen deze liederen ons samenbrengen in vrijheid, gemeenschap en blijvende vrede.
