Sjabbat Chazon, Dewariem

Sjabbat Chazon, Dewariem, 2 augustus 2025/ 8 aw 5785

Bemidbar/Numeri 2: 31 – 3: 22; Tanach blz. 354-357.

Haftara: Jesjaja 1: 1-27; Tanach blz. 801-803.

Vertaler:         Frits Pront

Coördinatie:   Harry Polak

Commentaar:  rabbijn Lord Jonathan Sacks, o.a. opperrabbijn van het Britse Gemenebest

Oorspronkelijke Engelse tekst

Use the link to read the original text in English.  

________________________________________________

De geboorte van een volk

Het boek dat bekend staat als Devariem (“Woorden”) stond oorspronkelijk bekend als Misjneh Tora – de herhaling of herformulering van de Tora. Vandaar de naam Deuteronomium, “een tweede (formulering van de) wet”. Daarin verklaart Mosjee, met enkele toevoegingen en enkele weglatingen, zowel de geschiedenis als de wetgeving zoals die staan in de vorige drie boeken.

Maar er is ook iets nieuws. Het eerste vers van het boek bevat een zin die we nog niet eerder in de Tora hebben horen gebruiken, hoewel je wel een gevoelig oor moet hebben om er kennis van te nemen: “Dit is de toespraak die Mosjee tot heel Jisraëel [le-kol Jisraeel] heeft gehouden in de dorre vlakte aan de overkant van de Jordaan, ter hoogte van Soef, tussen Paran aan de ene kant en Tofel, Lavan, Chatserot en Di Zahav aan de andere.” (Devariem 1: 1)

Het was R. Ephraim Landschutz [= Leczyca, 1550-1619] in zijn verklaring Kli Yakar (van Devariem1: 1) die opmerkte dat de uitdrukking Kol Jisraeel, die elf keer voorkomt in Devariem, nergens anders in de Tora voorkomt. Tot nu toe werden de Jisraëlieten beschreven als Bnei Jisraeel, “de kinderen van Jisraëel”. Nu zijn ze voor het eerst niet langer de kinderen van Jisraëel – ze zijn gewoon Jisraëel.

Waar duidt dit op? Het betekent dat de Jisraëlieten op het punt stonden iets te worden dat ze nog niet eerder waren geweest. Tot nu toe waren ze verticaal verbonden, door biologische afkomst. Ze hadden een gemeenschappelijke voorouder: Jaäkov, die de naam Jisraëel kreeg. Ze waren zijn nakomelingen. Ze maakten deel uit van dezelfde stamboom. Het waren zijn kinderen.

Met de subtiele overgang van bnei Jisraeel, de kinderen van Jisraëel, naar Jisraëel bereidde Mosjee de Jisraëlieten voor op een nieuwe wijze van bestaan. Nu zouden ze horizontaal met elkaar verbonden zijn. Ze waren niet langer kinderen. Ze stonden op het punt morele volwassenen te worden. Hun eenheid was niet langer alleen maar een kwestie van een gemeenschappelijk verleden. Ze stonden op het punt een gedeelde toekomst te creëren. Ze zouden niet langer bestaan in een staat van afhankelijkheid – vertrouwend op Mosjee en door hem, God, om in hun behoeften, welzijn en veiligheid te voorzien. Voortaan zouden ze verantwoordelijkheid voor elkaar moeten nemen.

Door deze subtiele semantische verschuiving geeft Mosjee aan dat zodra de Jisraëlieten de Jordaan zijn overgestoken, ze een volk zouden moeten worden, niet alleen maar een familie. Ze zouden moeten leren om gemeenschappelijk te functioneren. Ze stonden op het punt een samenleving te creëren. Ze zouden veldslagen moeten leveren, zich moeten verdedigen, systemen voor recht en welzijn moeten instellen en leren dat het noodzakelijk is om politiek te bedrijven evenals de grenzen die aan het bedrijven politiek verbonden zijn.

Niets van dat alles was nodig in de wildernis. God voorzag in hun behoeften, vocht hun veldslagen, zond hen voedsel en water en gaf hen onderdak. God zou in de toekomst nog steeds bij hen zijn, maar slechts zelden in de vorm van wonderen. Het zou niet langer God zijn die het volk dient – hun alles geeft wat ze nodig hebben. Het zou het volk zijn dat God dient. Dat zou hun nieuwe identiteit zijn. De natie zou worden gedefinieerd door het verbond dat hun ouders op de berg Sinaï hadden gesloten. Het zou hun grondwet, hun missie, hun opdracht, hun bestemming zijn. Ze stonden op het punt om niet alleen maar individuen te zijn, maar een volk: Omringd door de Levitische priesters zei Mosjee tegen heel Jisraëel: “Wees stil en luister, Jisraëel. Vandaag bent u het volk van de Eeuwige, uw God, geworden. Wees hem daarom gehoorzaam en leef zijn geboden en wetten na, zoals ik ze u nu heb voorgehouden.” (Devariem 27: 9-10)

Vandaar het intense bewustzijn in het jodendom, een volk te zijn. De hedendaagse seculiere cultuur is zeer individualistisch van aard en hedendaagse vormen van spiritualiteit weerspiegelen dat feit. Tegenwoordig denken we vaak dat God een persoonlijke aangelegenheid is en niet een gezamenlijke. Dit is evenmin iets nieuws. Religie wordt vaak gezien als een privéaangelegenheid van de ziel. Dean Inge (Anglicaanse priester, 1860, vert.) definieerde het als “wat een persoon doet in z’n eentje”. Walter Savage Landor (schrijver, dichter en activist, 1800, vert.) noemde eenzaamheid ”Gods auditorium”. Octavio Paz (1914-98 Mexicaanse dichter, schrijver, diplomaat en Nobelprijswinnaar, vert.) had het over “de diepste staat van de menselijke conditie”.

Voor het jodendom geldt precies het tegenovergestelde. “Het is niet goed voor de mens om alleen te zijn.” De sidra Devariem wordt altijd gelezen op de sjabbat voor Tisja Be’av – en er is letterlijk een verband tussen de sidra en de opening van het Boek Echa [Klaagliederen]: het woord echa, “hoe”. Mosjee zegt:”Maar hoe zou ik alleen de last van uw problemen en geschillen kunnen dragen?” [Devariem 1: 12]

De klaagliederen openen met de woorden: Hoe eenzaam zit zij neer, de eens zo levendige stad!

Onmiddellijk horen we dat Echa niet het enige woord is dat deze twee verzen gemeen hebben. Ze delen ook het woord levadi / vadad, wat “eenzaam, alleen, geïsoleerd” betekent. Alleen zijn is niet iets om te vieren, maar om te betreuren. Jodendom is niet een religie van individuen, maar van een volk. Geloof hoort niet tot de alleen voor jou bestemde diepste roerselen van de ziel. Het hoort bij het leven dat we samen leiden. Waar mensen elkaar ontmoeten, is waar je God kan vinden.

Ziekte en rouw dringen zich ongevraagd persoonlijk aan ons op. Toch bidden we in het Jodendom om genezing voor degenen die ziek zijn “te midden van alle andere zieken van Jisraëel”. We bieden troost aan rouwenden met de woorden: “Moge God jullie troosten te midden van de andere rouwenden van Tsion en Jeroesjalajiem”. We benadrukken specifiek het niet-alleen zijn van de zieken en de nabestaanden. Ze maken deel uit van een volk – en dat maakt deel uit van de genezing, de troost.

Net als op een bruiloft luidt een van de zeven zegeningen (sjeva berachot): “Laat Tsion, die verstoken was van haar kinderen, opstaan en juichen als haar kinderen in blijdschap weer in haar midden worden verzameld. Gezegend bent U, Altijdaanwezige, die Tsion blijdschap brengt door haar kinderen.” Het is alsof het hele Joodse volk, verleden, heden en toekomst, aanwezig is op de bruiloft, vreugde scheppend in dit nieuwe paar.

Dit idee gaat zo ver dat het woord voor menselijk “leven” in het Jodendom – chajiem – in het meervoud staat, alsof het enkelvoud, chaj, geen leven zou zijn. Het Hebreeuwse woord simcha is onmogelijk precies te vertalen. Het betekent niet “geluk, blijdschap, vreugde” – omdat elk van deze emotionele uitingen door iemand zelf kan worden ervaren, terwijl simcha in het jodendom altijd verwijst naar een gemeenschappelijke viering. Simcha betekent “vreugde die we met anderen delen”.

De Joodse wet zegt ons dat bij het ontmoeten van een vriend die we gedurende tenminste dertig dagen niet hebben gezien wij de zegen (sjehechejanoe) moeten zeggen: “….die ons in leven houdt, ons doet standhouden en die ons deze dag heeft laten bereiken en beleven.” Waarom specifiek deze zegen? Omdat, zoals Choni Ha Me’agel (Joodse geleerde uit de 1ste eeuw v.d.g.j., vert.) zegt in de Talmoed (Taanit 23a): “Het draait om omgang of ondergang”. Een vernieuwing van vriendschap is daarom niets minder dan een vernieuwing van het leven zelf. Het leven in eenzaamheid is geen leven. Vandaar de opmerkelijke uitspraak van Maimonides (Hilchot Tesjoeva 3: 11):

“Iemand die zich afscheidt van de gemeenschap, zelfs als hij geen zonde begaat, maar zich alleen afzijdig houdt van de gemeente van Jisraëel, de geboden niet samen met zijn volk nakomt, zich onverschillig toont voor hun noden en hun vastendagen niet in acht neemt, maar zijn eigen weg gaat zoals een van de volkeren die niet tot het Joodse volk behoren — zo’n persoon heeft geen aandeel in de toekomstige wereld.”

Dit is zo’n vreemde wet dat we hem nog eens goed moeten herlezen en ervoor zorgen dat we het goed hebben begrepen. De betrokkene heeft geen andere zonde begaan – behalve het zich op een afstand houden van zijn volk. Toch is dat voldoende om hem de toekomstige wereld te ontzeggen. Het jodendom is een collectief geloof – het geloof van een gemeenschap, een volk, een natie.

Dit is des te opvallender omdat het jodendom een geloof is dat fundamentele waarde toekent aan het individu: “Iemand die één leven redt, redt de hele wereld”. Het jodendom hecht waarde aan het individu zonder individualistisch te zijn. Dat is een heel subtiel onderscheid en weinig culturen hebben dat ooit voor elkaar gekregen. Ik vroeg ooit aan Paul Johnson, een katholiek en de auteur van het uitstekende A History of the Jews, wat hij het meest indrukwekkend vond aan het jodendom. Hij antwoordde: “Het heeft, beter dan elke andere cultuur die ik ken, het delicate evenwicht tussen individuele verantwoordelijkheid en sociale verantwoordelijkheid weten te bewaren”.

Dat is de diepe betekenis van de overgang in het boek Devarim van “de kinderen van Jisraëel” naar Jisraëel” – van een groep individuen met een gemeenschappelijke afkomst naar een volk dat verbonden is door gezamenlijke verantwoordelijkheid. God maakte geen keuze, noch heeft Hij een verbond gesloten met individuen als individuen – de rechtschapene, de heilige, de gelouterde, de onschuldige, de oprechte. Hij sloot een verbond met een heel volk, zowel rechtschapene als toekomstig rechtschapene.

Waarom? Omdat, geloven wij, dát is waar God leeft: in interacties, in het leven dat we delen. Dat is wat we proberen te heiligen: de relaties tussen echtelieden, ouder en kind, leraar en leerling, werkgever en werknemer, leider en volgeling, vriend en vreemdeling. Dat – in tegenstelling tot het hyper-individualisme van onze huidige kapitalistische samenleving – is een les die het waard is om opnieuw te leren. We vinden God in het “wij”, niet in het “ik”.