Sjabbat Dewariem, Sjabbat Chazon, 18 juli 2026/ 4 Av 5786
Dewariem/Deuteronomium 1: 1 – 38 ; Tanach blz. 349.
Haftara: Jesjajahoe 1:1 – 27; Tanach blz. 801.
Vertaler: Bram Lagendijk
Coördinatie: Channa Kistemaker
Commentaar:Rabbijn Jonathan Sacks z’’l was bij leven Opperrabbijn van het Verenigd Koninkrijk.
Use the link to read the original text in English.
_________________________________________________
Tsedek: rechtvaardigheid en mededogen
Wanneer Mosje begint aan zijn belangrijke slottoespraken tot de volgende generatie, richt hij zich op een onderwerp dat het laatste boek van de Choemasj (de vijf boeken van Mosje) domineert, namelijk rechtvaardigheid:
De rechters gaf ik toen deze instructie: ‘Hoor beide partijen en doe rechtvaardig uitspraak, zowel tussen twee volksgenoten als wanneer er een vreemdeling bij betrokken is. Oordeel zonder aanzien des persoons, hoor de arme evengoed als de rijke. Laat u door niemand bang maken, want u spreekt recht namens God. Wanneer iets u te moeilijk is, leg het dan aan mij voor en ik zal me erover buigen. (Dewariem 1:16-17)
Tsedek, rechtvaardigheid, is een sleutelwoord in het boek Dewariem – het meest bekend in het vers:
Zoek het recht en niets dan het recht. Dan zult u in leven blijven en mag u het land dat de Eeuwige, uw God, u zal geven, in bezit nemen. (Dewariem 16:20)
De verspreide vermelding van het woord tsedek en het daarvan afgeleide tsedaka in de Choemasj is allesbehalve willekeurig. Het komt overweldigend veel voor in het eerste en laatste boek: Bereesjiet/Genesis (waarin het zestien keer voorkomt) en Dewariem (achttien keer). In Sjemot/Exodus komt het slechts vier keer voor en in Wajikra/Leviticus vijf keer. Op één na zijn alle vermeldingen in die twee boeken geconcentreerd in twee hoofdstukken: Sjemot 23 (waar drie van de vier vermeldingen in twee verzen voorkomen, 23:7-8) en Wajikra 19 (waar alle vijf vermeldingen in hoofdstuk 19 staan). In Bemidbar/Numeri komt het woord helemaal niet voor.
Deze verspreiding is een van de vele aanwijzingen dat de Choemasj is opgebouwd als een chiasme: een literaire stijlfiguur die bestaat uit een herhaling met een omkering in de vorm ABCBA. De structuur in de Choemasj is als volgt:
A Bereesjiet – de prehistorie van Jisraël (het verre verleden);
B Sjemot – de reis van Egypte naar de berg Sinaï;
C Wajikra – de heiligheidswetten;
B Bemidbar – de reis van de berg Sinaï naar de oevers van de Jordaan;
A Dewariem – de geschiedenis van Jisraël die in het verschiet ligt (de verre toekomst).
Het leidende motief van tsedek/tsedaka komt op de belangrijkste punten van deze structuur naar voren – in het eerste en laatste boek, Bereesjiet en Dewariem, en in het centrale hoofdstuk van de boeken als geheel, Wajikra 19. Het motief is duidelijk een dominant thema in de Choemasj als geheel.
Wat betekent dit? Tsedek/tsedaka is bijna onmogelijk te vertalen vanwege de vele, genuanceerde betekenissen: rechtvaardigheid, naastenliefde, rechtschapenheid, integriteit, billijkheid, eerlijkheid en onschuld. Het betekent zeker meer dan alleen juridische rechtvaardigheid, waarvoor de Bijbel woorden als misjpat en dien gebruikt. Een voorbeeld als illustratie:
Als een man zo arm is dat hij zijn overkleed moet afstaan, mag u zich daar niet ’s nachts mee toedekken. Voor zonsondergang moet u hem zijn onderpand terugbrengen, zodat hij onder zijn eigen overkleed kan slapen. Hij zal u dan de zegen van de Eeuwige, uw God, toewensen, en de Eeuwige zal het u ten goede aanrekenen. (Dewariem 24:12-13)
Tsedaka kan in dit vers niet letterlijk ‘rechtvaardigheid’ betekenen. Het beschrijft een situatie waarin een arme slechts één mantel of overkleed heeft, die hij als onderpand voor een lening aan de geldschieter heeft gegeven. De geldschieter heeft het wettelijke recht om de mantel te behouden totdat de lening is terugbetaald. Handelen op basis van dit recht is echter simpelweg niet juist. Het negeert de menselijke situatie van de arme, die niets anders heeft om zich warm te houden op een koude nacht. Dit wordt nog duidelijker wanneer we de parallelle passage in Sjemot 22 bekijken, die luidt:
Als je iemands mantel als onderpand neemt, moet je die voor zonsondergang aan hem teruggeven, want hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken. Waarmee moet hij zijn lichaam anders beschermen als hij gaat slapen? Als hij mij om hulp smeekt, zal Ik naar hem luisteren, want ik ben een genadige God. (Sjemot 22:25-26)
Dezelfde situatie die in Dewariem wordt beschreven als tsedaka, wordt in Sjemot mededogen of genade (chanoen) genoemd. Aryeh Kaplan vertaalde tsedaka in Dewariem 24 als “liefdadige verdienste”. Het kan het beste worden vertaald als “het juiste en fatsoenlijke om te doen” of “rechtvaardigheid getemperd door mededogen”.
In het Jodendom moet rechtvaardigheid – tsedek in tegenstelling tot misjpat – getemperd worden door mededogen. Vandaar de vreselijke, tragische ironie van Portia’s toespraak in De Koopman van Venetië:
Genade wordt verleend, niet afgedwongen;
Zij drupt, als zachte regen, uit de hemel
Op de aarde neer, en brengt dubbele zegen,
Zij zegent hem die geeft en hem die ontvangt;
Ze is de machtigste onder de machtigen; ze siert
De koning op zijn troon meer dan de kroon;
Zijn scepter toont zijn wereldlijk gezag,
Het symbool van macht en majesteit,
Wekt eerbied en ontzag voor ’t koningschap,
Maar boven deze scepter heerst genade;
Zij is gezeteld in het hart van koningen;
Zij is een eigenschap van de godheid zelf;
En aardse macht zweemt het meest naar die van God,
Wanneer genade ’t recht verzacht. Daarom, Jood,
Al beroept u zich op gerechtigheid, bedenk ook dit,
Dat, door gerechtigheid, geen van ons ooit
Behouden wordt; wij bidden om genade;
En die bede leert ons allen om barmhartigheid
Te tonen. Hiermee dring ik erop aan,
Om de gerechtigheid van uw eis te verzachten¼
Shakespeare verwoordt hier het middeleeuwse stereotype beeld van Christelijke barmhartigheid (Portia) tegenover Joodse rechtvaardigheid (Shylock). Hij beseft helemaal niet – hoe zou hij dat ook kunnen, gezien de heersende cultuur – dat ‘rechtvaardigheid’ en ‘barmhartigheid’ in het Hebreeuws geen tegenstellingen zijn, maar in één woord zijn verenigd: tsedek of tsedaka. Om de ironie nog groter te maken, is de taal en beeldspraak van Portia’s toespraak (“Het drupt als zachte regen uit de hemel”) ontleend aan Dewariem.
Moge mijn onderricht neerdalen als regen,
mogen mijn woorden zijn als milde dauw,
als regen die de grond doordrenkt,
lenteregen die het groen in bloei zet.
Want de naam van de Eeuwige roep ik uit:
de Eeuwige is onze God, laat iedereen hem prijzen!
Hij is een rots, hij staat voor recht;
alles wat hij doet is volmaakt.
Trouw is God, rechtvaardig en zuiver,
in hem is geen spoor van kwaad.
(Dewariem 32:2-4)
Het valse contrast tussen Jood en Christen in De Koopman van Venetië is een kenmerkend bewijs van het ‒ tot voor kort ‒ wrede, foutieve beeld van het Jodendom in de Christelijke theologie.
Waarom is rechtvaardigheid dan zo essentieel voor het Jodendom? Omdat het onpartijdig is. De wet, zoals die in de Tora is vastgelegd, maakt geen onderscheid tussen rijk en arm, machtig en machteloos, geboren in eigen land of vreemdeling. Gelijkheid voor de wet is de menselijke vertaling van gelijkheid voor God. De Tora benadrukt keer op keer dat rechtvaardigheid geen menselijke uitvinding is: “Vrees niemand, want het oordeel behoort God toe.” Omdat het God toebehoort, mag het nooit in gevaar worden gebracht – door angst, omkoping of vriendjespolitiek. Het is een onontkoombare plicht, een onvervreemdbaar recht.
Jodendom is een religie van liefde: U zult de Eeuwige uw God liefhebben; u zult uw naaste liefhebben als uzelf; u zult de vreemdeling liefhebben. Maar het is ook een religie van rechtvaardigheid, want zonder rechtvaardigheid bederft liefde. Wie zou de regels niet buigen, als hij kon, om degenen die hij liefheeft te bevoordelen? Het is ook een religie van mededogen, want zonder mededogen kan de wet zelf ongelijkheid bevorderen. Rechtvaardigheid plus mededogen is gelijk aan tsedek, de eerste voorwaarde voor een fatsoenlijke samenleving.
