Sjabbat Ekev

Sjabbat Ekev, 1 augustus 2026/ 18 Av 5786

Dewariem/Deuteronomium 7:12 – 9:3 ; Tanach blz. 366.

Haftara: Jesjajahoe 49:14 – 51:3;  Tanach blz. 885.

Vertaler: Thea Koster

Coördinatie: Channa Kistemaker

Commentaar:Eliezer B. Diamond z’’l, bij leven Rabbi Judah Nadich professor Talmoed en Rabbinica aan het Jewish Theological Seminary te New York.

Oorspronkelijke Engelse tekst

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

Het na-effect van wat we doen

Zal Israël het komende jaar alle regen ontvangen die het nodig heeft? Dat hangt ervan af of we trouw zijn aan Gods woord. Dat is althans de bewering in een bijbelpassage die we twee keer per dag reciteren als onderdeel van het Sjema:

Als u de geboden gehoorzaamt die Ik u vandaag voorhoud, en de Eeuwige, uw God, liefhebt en Hem met hart en ziel dient, belooft de Eeuwige: “Ik zal jullie akkers op de juiste tijd regen geven, in het najaar en in het voorjaar. (…) Maar pas op: laat u er niet toe verleiden een dwaalspoor te volgen, voor andere goden neer te knielen en hen te vereren. Want dan roept u de woede van de Eeuwige over u af en zal Hij de hemel sluiten. (Dewarien 11:13-14, 16-17)

Velen van ons voelen zich ongemakkelijk bij het uitspreken van deze verzen. We leven in een wetenschappelijk tijdperk. We kijken naar de wetenschap – in dit geval de meteorologie – om het weer te verklaren. Bovendien spreekt onze ervaring van de wereld de bewering in Deuteronomium tegen. Het regent wel of niet. Mensen leven de geboden na of niet; ze begaan gruweldaden of verrichten grote daden van goedheid. Er is geen waarneembaar verband tussen beide. En zelfs als men het uitgangspunt van Deuteronomium zou aanvaarden, klinkt de toon van deze woorden als een dreigement – ​​”de toorn van de Heer zal tegen u ontbranden” – wat sommigen van ons vernederend vinden. We hebben er geen moeite mee te horen dat het belangrijk is Gods geboden na te leven, maar we willen ons daartoe niet laten dwingen.

Wanneer ik deze verzen uitspreek, ervaar ik ze niet als een dreigement. Ik zie ze als een essentiële herinnering dat de gevolgen van het goede en het kwade dat we doen, niet beperkt blijven tot het moment van handelen. Onze daden hebben gevolgen die veel verder reiken dan dat moment, en de meeste daarvan liggen buiten onze macht. Als ik roddels over jou verspreid, kwets ik je niet alleen op het moment dat ik je reputatie bij de toehoorder schaad. Die persoon zal het ongetwijfeld aan anderen vertellen, die het op hun beurt weer aan anderen doorvertellen. Ik heb geen controle over de rimpeleffecten van mijn kleinerende daad, noch over iets anders dat ik doe, ten goede of ten kwade.

Dit geldt natuurlijk niet alleen voor zonden, maar ook voor goede daden. Shakespeare zat ernaast toen hij Marcus Antonius in zijn lijkrede voor Julius Caesar liet zeggen: “Het kwaad dat mensen doen, overleeft hen; het goede wordt vaak met hun beenderen begraven” (*Julius Caesar*, bedrijf 3, scène 2). Het goede heeft een voortbestaan ​​dat net zo krachtig is als dat van het kwaad.

Ik wil graag een klein maar ontroerend voorbeeld van deze waarheid met u delen. In onze familie vertellen we het verhaal van mijn nicht Shira; zij ruimt na de dienst op sjabbat altijd de gebedenboeken op die niet op hun vaste plek zijn teruggezet.

Ze doet dit omdat ze onze grootvader – een man die zich met hart en ziel aan het gebed en het synagoge-leven wijdde – zag hoe hij zorgvuldig de orde in de gebedsruimte herstelde nadat de gemeenteleden waren vertrokken. Op een sjabbat, enkele jaren geleden, zag ze dat een jongeman die onlangs in de stad was komen wonen, zich met dezelfde taak bezighield. Ze stapte op hem af en klaagde gekscherend dat hij haar werk overnam. Hij legde uit dat hij zich jaren daarvoor op zijn bar mitswa had voorbereid onder leiding van een zekere meneer Weiss. Hij had gezien hoe deze man week na week de gebedenboeken terugzette in de kast, en dat had hem geïnspireerd om zijn voorbeeld te volgen. Meneer Weiss was, uiteraard, de grootvader van Shira en mij.

De gedachte dat regenval afhankelijk zou kunnen zijn van menselijk gedrag is op zichzelf al zo onwaarschijnlijk, dat ze me aanzet tot de reflectie dat de gevolgen van ons handelen vaak niet alleen onbegrijpelijk, maar ook onvoorzienbaar zijn. Denk aan het verhaal van David en Achimelech. In 1 Samuël (hoofdstuk 21-22) lezen we hoe David, op de vlucht voor de woede van Saul, de priester Achimelech ertoe beweegt hem onbewust te helpen bij zijn ontsnapping door hem van voedsel en een zwaard te voorzien. Een van Sauls generaals, Doëg de Edomiet, vangt hun gesprek op en speelt de informatie door aan Saul. In een paranoïde woedeaanval beveelt Saul niet alleen de dood van Achimelech, maar ook die van 85 van zijn mede-priesters. Wanneer Saul het bevel geeft de priesters te doden, komt geen van zijn mannen in actie. Uiteindelijk is het Doëg die de daad verricht. Ik vraag me af wat er door Doëgs hoofd ging. Had hij spijt dat hij Achimelech had verraden, nu dit had geleid tot het doden van onschuldige mannen? Hoe dan ook, hij raakte verstrikt in de onvoorzienbare gevolgen van zijn woorden.

We hoeven ons door onze theologische verschillen met Deuteronomium niet blind te laten staren voor de diepe waarheid die aan de woorden ten grondslag ligt: ​​zolang we niet handelen, zijn wij meester over onze daden; zodra we handelen, worden zij meester over ons.

Dit commentaar werd oorspronkelijk gepubliceerd in 2015.