Sjabbat Matot-Masee

Bemidbar/Numeri 35: 1 – 34, 36: 1 – 13 (= verkorte versie); Tanach blz. 344-348.

Haftara: Jesjaja 66: 10 – 23; Tanach blz. 912 – 914.

Vertaler:         Paula Reisner

Coördinatie:   Harry Polak

Commentaar:  rabbijn Rabbi Richard Hirsh, was o.a. assistent-rabbijn bij M’kor Shalom in Cherry Hill, NJ en komt uit reconstructionistische hoek

Oorspronkelijke Engelse tekst

Use the link to read the original text in English.  

_________________________________________________

Het belang van het herlezen van de Tora

Het boek Bemidbar/Numeri is in veel opzichten het minst samenhangende van de vijf boeken van de Tora. De verhalende uitweidingen en het juridische gedachtengoed worden soms met elkaar in verband gebracht, maar staan vaker los van elkaar.

In Matot en Masee, waarmee het vierde boek van de Tora wordt afgesloten, proberen de vertellers/redacteuren van de Tora de zaken samen te vatten aan de hand van verslagen die de veertig jaar in de woestijn samenvatten en vooruitlopen op de op handen zijnde intocht in het Land Israël.

Maar zelfs voordat de Tora overgaat tot het opstellen van voorschriften voor sociale en religieuze regels in het land, presenteert het een verhaal over een krijgsbevel, dat huiveringwekkend is.

Beginnend met Bemidbar/Numeri 31, vertelt de tekst het verhaal van de Israëlitische oorlog tegen de Midianieten. Het verslag is zo beestachtig dat zelfs Dr. J. H. Hertz, de vooraanstaande apologeet van de traditionele vertaling van de tekst, in zijn bekende commentaar stelt dat “De oorlog tegen de Midianieten bijzondere moeilijkheden met zich meebrengt… we kunnen de verschillende bezwaren die zijn geopperd niet op bevredigende wijze weerleggen…”.

De tekst zelf is duidelijk: “De Eeuwige zei tegen Mosjee: ‘Spoor de Israëlieten ertoe aan wraak te nemen op de Midianieten, …’ Hierop zei Mosjee tegen het volk: ‘Een deel van de mannen moet zich klaarmaken voor de strijd. Ze moeten de Midianieten aanvallen om de wraak van de Eeuwige aan Midjan te voltrekken.’ ” [Bemidbar 31: 1-3]
De straf wordt begrepen als vergelding voor de rol die de Midianieten hadden gespeeld bij het afvallig maken van de Israëlieten van hun God en het verlokken van hen tot valse aanbidding en seksuele immoraliteit (zie Bemidbar/Numeri 25).

Nadat ze ‘alle mannen’ hadden gedood, namen de Israëlieten ‘de Midianitische vrouwen en kinderen gevangen, maakten zich meester van de runderen en het overige vee van de Midianieten en van al hun bezittingen.’ [31:  9]
Toen Mosjee dit ontdekte, was hij diep geschokt en beval hij de executie van alle vrouwen die geen maagd meer waren, evenals van alle mannelijke kinderen.

De uitroeiing van de gehele mannelijke bevolking van Midian (zonder één enkel slachtoffer voor Israël!) is opmerkelijk, maar wellicht te begrijpen binnen de geschiedschrijving van oorlogsvoering. De woede van Mosjee en de wreedheid van zijn veroordeling zijn moeilijker te verwerken. Zelfs binnen de grenzen van de oorlog zijn er daden die als onaanvaardbaar worden beschouwd en gedrag waarvoor de oorlogsomstandigheden geen legitiem excuus vormen.

Traditionele commentatoren, beperkt door de aanname van het goddelijke karakter van de tekst, doen er alles aan om de acties van de Israëlieten, en vooral van Mosjee, te rechtvaardigen. Normaal gesproken doen ze dit door de ernst van de verdorvenheid van de Midianieten te overdrijven en hun gedrag zo verwerpelijk te maken dat elke actie tegen hen gerechtvaardigd wordt.

De vooraanstaande middeleeuwse commentator Rasji merkt op dat Mosjee de uitvoering van “de wraak van de Eeuwige” op Midian beveelt. Rasji suggereert dat “iemand die zich tegen [het volk] Israël verzet, zich verzet tegen de Heilige, gezegend zij Hij”.

Hedendaagse commentatoren, die respectvol maar niet fundamentalistisch omgaan met de tekst, zien in dit verhaal veel moeilijke morele problemen. Ze proberen hierop te reageren door te wijzen op de enigszins legendarische aard van het verhaal, of door het verhaal te plaatsen in de context van oude denkbeelden over oorlogsvoering en de relatie ervan met de beschermgoden van de strijdende clans.

Maar hoe we het ook bekijken, we kunnen het fundamentele probleem niet ontlopen: hoe moeten we een verhaal interpreteren, laat staan accepteren, waarvan de inhoud zo duidelijk in strijd is met onze eigen gevoeligheden?

We leven in een tijd waarin fundamentalisme van allerlei aard strijdt met het moderne denken. Of het nu gaat om homoseksualiteit, de wijding van vrouwelijke geestelijken, abortus, de ‘heilige oorlog’ of een groot aantal andere controversiële en lastige kwesties, de kloof tussen fundamentalisme en moderniteit lijkt steeds groter te worden.

(…..)

Wanneer je tegenstander je vijand wordt, en dat gebeurt vaak, worden acties die eerst als ongepast werden beschouwd, legitiem. Maar wanneer iemands vijand de vijand van God wordt – ‘alsof iemand tegenover de Heilige staat, gezegend zij Hij’ – dan wordt misschien iedere handeling acceptabel, want wat er nu op het spel staat, heeft kosmische gevolgen.

De oorlog tegen de Midianieten is, op een bepaald niveau, een zoveelste verslag van lijden en wreedheid, een zoveelste hoofdstuk in het oneindige boek van menselijke oorlogsvoering. Als het op een opgegraven tablet in een uithoek van het Midden-Oosten zou worden aangetroffen, zou het misschien niet meer dan voorbijgaande belangstelling krijgen.

Maar het verhaal van de oorlog tegen Midian staat opgetekend in de Tora, en “al haar paden zijn vrede”. Wij, die de centrale rol van de Tora in het Joodse leven erkennen en in de Tora leiding en inzicht zoeken, moeten worstelen met die delen van de Tora die we niet kunnen accepteren en die we niet onderschrijven.

Dit betekent niet dat we de Tora verwerpen, of dat we het slechts als een van de vele verhalen zien. Het betekent veeleer dat we, ter wille van de Tora zelf, moeten worstelen met de problemen die het ons oplevert, niet in de laatste plaats omdat de Tora zelf, in Devarim/Deuteronomium 21, probeert grenzen te stellen aan het soort gedrag dat acceptabel is tijdens een oorlog.

Met andere woorden, een deel van de Tora daagt ons uit om een ander deel te herinterpreteren. De nadruk op ‘humanisme’ in Devarim/Deuteronomium daagt onze passieve acceptatie van het ‘militaristische/fundamentalistische’ verhaal in Bemidbar/Numeri uit.