Sjabbat Misjpatiem, Sjabbat Sjekaliem, 14 februari 2026/27 Sjewat 5786
1ste sefer: Sjemot/Exodus: 21: 1 – 22:3 Tanach blz. 151
2de sefer: Sjemot/Exodus: 30:11 – 16 Tanach blz. 172
Haftara: II Melachiem/II Koningen 12:1 –17; Tanach blz. 762 – 763
Vertaler: Frits Pront
Coördinatie: Channa Kistemaker
Commentaar: Rabbijn Jonathan Sacks z’’l was bij leven Opperrabbijn van het Verenigd Koninkrijk.
Use the link to read the original text in English.
_________________________________________________
Het langzame einde van de slavernij
In Sidra Misjpatiem zijn we getuige van een van de grote stilistische kenmerken van de Tora, namelijk de overgang van verhaal naar wet. Tot nu toe was het boek Sjemot vooral verhalend: het verhaal van de slavernij van de Jisraëlieten en hun tocht naar vrijheid. Nu komt gedetailleerde wetgeving, de “grondwet van de vrijheid”.
Dit is geen toeval maar iets essentieels. In het Jodendom vloeit de wet voort uit de historische ervaring van het volk. Egypte was de Joodse publieke leerschool van de ziel; de herinnering was het doorlopende werkcollege over de kunst van en de omgang met vrijheid. Het leerde hen hoe het voelde om aan de verkeerde kant van de macht te staan. “Je weet hoe het voelt om een vreemdeling te zijn”, zegt een tot de verbeelding sprekend vers in de Sidra van deze week (Sjemot 23:9). De Joden waren het volk dat de opdracht kreeg om de bittere smaak van slavernij nooit te vergeten, zodat ze vrijheid nooit als vanzelfsprekend zouden beschouwen. Degenen die dat doen, verliezen die vrijheid uiteindelijk.
Nergens is dit duidelijker dan in de opening van de Sidra van vandaag. We hebben gelezen over de historische ervaring van de Jisraëlieten met slavernij. De sociale wetgeving van Misjpatiem begint dus met slavernij. Wat fascinerend is, is niet alleen wat het zegt, maar wat het niet zegt.
Er staat niet: schaf slavernij af. Het had dat zeker moeten doen. Is dat niet waar het verhaal tot dusver om draait? Joseefs broers verkopen hem als slaaf. Hij, als de Egyptische onderkoning Tsofenat Paneach, dreigt hen met slavernij. Generaties later, wanneer er een farao komt die “Joseef niet kende”, wordt het hele Jisraëlitische volk Egypte’s slaven. Slavernij is, net als wraak, een vicieuze cirkel die niet van nature eindigt. Waarom zou je het dan niet een bovennatuurlijk einde geven? Waarom zei God niet: ‘Er zal geen slavernij meer zijn’?
De Tora heeft ons al een impliciet antwoord gegeven. Verandering is mogelijk als menselijke eigenschap, maar het kost tijd: tijd op heel grote schaal, eeuwen, zelfs millennia. Het lijdt weinig twijfel dat in termen van het waardesysteem van de Tora de uitoefening van macht van de ene persoon over de andere, zonder diens toestemming, een fundamentele aanslag op de menselijke waardigheid is. Dit geldt niet alleen voor de relatie tussen meester en slaaf. Het is volgens veel klassieke Joodse verklaarders ook waar in de relatie tussen koning en onderdanen, regeerders en geregeerden. Volgens de Geleerden is het zelfs waar voor de relatie tussen God en de mens. De Talmoed zegt dat als God het Joodse volk echt zou dwingen om de Tora te accepteren door “de berg omgekeerd boven hun hoofd te hangen” (Sjabbat 88a), dat in strijd zou zijn met de voorwaarden van het verbond zelf. Wij zijn alleen Gods awadiem, dienaren, omdat onze voorouders er vrijelijk voor kozen om dat te zijn (zie Jehosjoea 24, waar Jehosjoea de mensen de vrijheid biedt, als ze dat willen, om op dat moment en ter plekke van het verbond weg te lopen).
Dus slavernij moet worden afgeschaft, maar het is een fundamenteel principe van Gods relatie met ons dat hij ons niet dwingt om sneller te veranderen dan mogelijk is uit eigen vrije wil. Dus Misjpatiem schaft de slavernij niet af, maar zet een reeks fundamentele wetten in gang die mensen, zij het in hun eigen tempo, ertoe zullen brengen deze uit eigen beweging af te schaffen. Hier zijn de wetten:
“Wanneer je een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij je zes jaar lang dienen; in het zevende jaar mag hij als vrij man vertrekken, zonder iets te hoeven betalen… Mocht hij echter te kennen geven dat hij zo aan zijn meester en aan zijn vrouw en kinderen gehecht is dat hij niet als vrij man wil vertrekken, dan moet zijn meester hem naar het heiligdom brengen, hem tegen de deur of de deurpost zetten, en zijn oor met een priem doorboren. Hij blijft dan voorgoed zijn slaaf.” (Sjemot 21:2-6 )
Wat wordt er in deze wetten gedaan? Ten eerste is er een fundamentele verandering in de aard van de slavernij aan de gang. Niet langer is het een permanente status; het is een tijdelijke conditie. Een Hebreeuwse slaaf komt na zeven jaar vrij. Hij of zij weet dit. Vrijheid staat de slaaf te wachten, niet door impulsiviteit van de meester, maar door Goddelijk bevel. Als je weet dat je binnen een bepaalde tijd vrij zult zijn, ben je misschien een slaaf in de praktijk, maar van binnen ben je een vrij mens die tijdelijk van zijn vrijheid is beroofd. Dat is op zich revolutionair.
Dit alleen was echter niet genoeg. Zes jaar is een lange tijd. Vandaar het instellen van Sjabbat, verordend opdat een dag van de zeven een slaaf op adem kon komen: niemand kon hem bevelen te werken:
“Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de Eeuwige, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u,…voor uw slaven en slavinnen… want uw slaaf en slavin moeten evengoed rusten als u. Bedenk dat u zelf slaaf was in Egypte totdat de Eeuwige, uw God, u met sterke hand en en opgeheven arm bevrijdde. Daarom heeft hij u opgedragen de sjabbat te houden.” (Dewariem 5:12-14)
Maar de Tora is zich er terdege van bewust dat niet elke slaaf vrij wil zijn. Ook dit komt naar voren uit de Jisraëlietische geschiedenis. In de woestijn wilden de Jisraelieten meer dan eens terug naar Egypte. Ze zeiden: “We verlangen terug naar de vis die we in Egypte volop te eten hadden, naar de komkommers en watermeloenen, prei, uien en knoflook.” (Bemidbar 11:5)
Zoals Rasji opmerkt, kan de uitdrukking “ kostenloos” [chinam] niet letterlijk worden opgevat. Ze betaalden ervoor met hun arbeid en hun leven. “Gratis” betekent “vrij van mitswot”, van eisen, verplichtingen, taken. Vrijheid komt tegen een heel hoge prijs, namelijk morele verantwoordelijkheid. Veel mensen hebben laten zien wat Erich Fromm ‘de angst voor vrijheid’ noemde. Rousseau sprak over “mensen verplichten vrij te zijn” – een opvatting die toen leidde tot het schrikbewind dat volgde na de Franse Revolutie.
De Tora verplicht mensen niet om vrij te zijn, maar het dringt wel aan op een ritueel van het aanbrengen van een negatief kenmerk. Als een slaaf weigert de vrijheid te accepteren, zal zijn meester “hem naar de deur of de deurpost brengen en zijn oor doorboren met een priem”. Rasji licht dit toe:
Waarom werd het oor gekozen om te worden doorboord in plaats van alle andere ledematen? Zei Rabbi Jochanan ben Zakkai: … Het gehoor dat op de berg Sinaï waarnam: “Want voor Mij zijn de kinderen van Jisraëel slaven” niettemin ging hij zijn gang en verkreeg hij een meester voor zichzelf. Van hem mocht [zijn oor] worden doorboord! Rabbi Sjimon zette dit vers op een mooie manier uiteen: Waarom verschillen de deur en de deurpost van andere voorwerpen van het huis? God zei in feite: “De deur en de deurpost waren er getuige van toen ik in Egypte door de horizontale balk en de twee verticale balken van het deurkozijn ging en ik zei: ‘Want voor Mij zijn de kinderen van Jisraëel slaven’, zij zijn Mijn slaven, geen tot slaaf gemaakten van tot slaaf gemaakten, en de persoon in kwestie ging zijn gang en verkreeg een meester voor zichzelf, hij zal [zijn oor] laten doorboren in hun aanwezigheid.”
Een slaaf mag een slaaf blijven, maar niet zonder eraan herinnerd te worden dat dit niet is wat God voor Zijn volk wil. Het resultaat van deze wetten was het creëren van een dynamiek die uiteindelijk zou leiden tot een afschaffing van de slavernij, op een tijd dat een mens vrij is om te kiezen.
En dat is wat er gebeurde. De Quakers, Methodisten en evangelisch christenen, de beroemdste onder hen William Wilberforce, die de campagne in Groot-Brittannië leidde om de slavenhandel af te schaffen, werden gedreven door religieuze overtuiging, niet in de laatste plaats geïnspireerd door het bijbelse verhaal van de Exodus, en door de uitdaging van Jesjaja “om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan geketenden hun bevrijding”. (Jesjaja 61:1)
Slavernij werd pas na een burgeroorlog in de Verenigde Staten afgeschaft, en er waren mensen die de Bijbel aanhaalden ter verdediging van de slavernij. Zoals Abraham Lincoln het in zijn tweede inauguratie verwoordde:
“Beiden lezen dezelfde Bijbel en bidden tot dezelfde God, en elk roept Zijn hulp in tegen de ander. Het lijkt misschien vreemd dat wie dan ook de hulp van een rechtvaardige God durft vragen voor het uitpersen van anderen die werken in het zweet huns aanschijns, maar laat ons niet oordelen opdat we niet geoordeeld worden.”
Toch werd de slavernij in de Verenigde Staten afgeschaft, niet in de laatste plaats vanwege de plechtige verklaring in de Onafhankelijkheidsverklaring dat “alle mensen gelijk zijn geschapen”, en door hun Schepper zijn begiftigd met onvervreemdbare rechten, waaronder “leven, vrijheid en het nastreven van geluk.” Jefferson, die die woorden opschreef, was zelf een slavenhouder. Toch is de latente kracht van idealen van dien aard dat mensen uiteindelijk inzien dat ze door te staan op hun recht op vrijheid en waardigheid en die aan anderen ontzeggen, maakt dat ze een tegenstrijdig leven leiden.
Dat is het moment wanneer er verandering plaats vindt, en het kost tijd.
Als de geschiedenis ons iets leert, is het dat God geduld heeft, hoewel het vaak zwaar op de proef wordt gesteld. Hij wilde dat de slavernij werd afgeschaft, maar Hij wilde dat het werd gedaan door vrije mensen die uit eigen beweging het kwaad dat het is en het kwaad dat het doet beginnen in te zien. De God van de geschiedenis, die ons leerde de geschiedenis te bestuderen, had er vertrouwen in dat we uiteindelijk de les van de geschiedenis zouden leren: dat vrijheid ondeelbaar is. We moeten vrijheid aan anderen schenken als we het echt voor onszelf zoeken.
Vragen ter overpeinzing
1. Hoe denk je dat onze familieverhalen en herinneringen ons helpen om vandaag betere keuzes te maken?
2. Waarom zijn sommige mensen bang voor vrijheid en geven ze de voorkeur aan beperkingen, zelfs als ze de keuze krijgen om vrij te zijn?
3. Waarom denk je dat God geduld koos boven onmiddellijke interventie bij de confrontatie met menselijke morele tekortkomingen? Zijn er andere keren in de Tanach geweest dat dit naar voren is gekomen?
