Sjabbat Naso

Sjabbat Naso, 7 juni 2025/ 11 siewan 5785

Bemidbar/Numeri 7: 1 – 89; Tanach blz. 277-282

Haftara: II Kronieken 6: 1 – 17; Tanach blz. 1766-1768

Vertaler:         Paula Reisner

Coördinatie:   Harry Polak

Commentaar:  rabbijn Rabbi Noah Arnow, Kol Rinah, St. Louis (Missouri)

Oorspronkelijke Engelse tekst

Use the link to read the original text in English.  

_________________________________________________

In de priesterlijke zegen het verloop van ouderschap onderkennen

Een gebed voor gisteren, vandaag en morgen – alles ineen

Het ouderschap is een merkwaardig traject vol bochten. In het begin zijn wij verantwoordelijk voor de kleine, kostbare lichaampjes die volledig van ons afhankelijk zijn. Dan groeien ze langzaam op, worden steeds onafhankelijker en blijken ze ons op de een of andere manier niet meer nodig te hebben. Ze worden onze gelijken, kijken ons in de ogen, lenen onze kleren en gaan met ons het debat aan. En voor we het weten, hebben ze ons ingehaald – in lengte en prestaties. Uiteindelijk ontdekken we dat ze voor ons zorgen…

Aan deze drie fasen aangaande mijn kinderen en mijzelf denk ik iedere keer als ik hen op vrijdagavond zegen met de priesterlijke zegen [Bemidbar/Numeri 6:24-26] (nou ja, iedere keer als ik hen zegen en niemand huilt, wat gelukkig steeds vaker gebeurt).

Deze zegen, in het Hebreeuws bekend als Birkat Kohanim en gedetailleerd beschreven in de sidra van deze week, maakt deel uit van onze dagelijkse liturgie en verschijnt in de ochtend Amidah (staand gebed). In sommige gemeenschappen zegenen de priesters of kohanim (afstammelingen van Aharon, de eerste hogepriester) de gemeente met deze woorden, zowel dagelijks (in Israël) als op feesten (buiten Israël). En ouders zegenen elke vrijdagavond hun kinderen vaak met deze woorden, zoals mijn vrouw en ik doen.

Hoe vloeien deze drie fasen van ouderschap en kindertijd voort uit de drie verzen van deze zegen? Het was rabbijn Shlomo Ephraim ben Aharon van Luntschitz (Praag, 1550-1619) die mij het in de Keli Yakar, zijn commentaar op de Tora, hielp in te zien, maar ik kan het nu niet anders meer bekijken. En ik zou het ook niet willen.

“Moge de Eeuwige je zegenen en beschermen” is de eerste regel van de priesterlijke zegen. God zorgt voor ons, van boven, en wij zijn beneden, zoals een ouder die voor een kind zorgt. Als ik deze pasoek uitspreek, denk ik aan mijn kinderen toen ze nog kleiner waren, wellicht baby’s, die mijn zorg en bescherming nodig hadden. En ik zie hen zoals ze nu zijn, als kinderen op schoolgaande leeftijd, die nog steeds behoefte hebben aan knuffels en omhelzingen, aan herinneringen om hun tanden te poetsen, aan instoppen in bed, aan pleisters en ingeschonken melk. En ik zie mezelf zoals ik nu ben: een (jonge) ouder.

“Moge de Eeuwige het licht van Zijn gelaat over je doen schijnen en je genadig zijn.” Het Hebreeuwse woord voor ‘over je’ wordt vertaald vanuit ‘alècha‘ wat letterlijk betekent “over jou”, niet “naar jou kijkend” of “naar jou opkijkend”, maar “over jou” op ooghoogte. Dus hier laat God Zijn gezicht over jou schijnen, op hetzelfde niveau als jijzelf. God en wij zijn gelijken geworden. Ouder en kind zijn leeftijdsgenoten. Deze pasoek laat me inbeelden hoe ik mijn kinderen zie opgroeien, hoe ik ze in de ogen kijk, hoe ze als onafhankelijke mensen met mij in debat gaan en me punt voor punt evenaren. Het doet mij ook denken aan de relatie die ik tegenwoordig met mijn ouders heb.

“Moge de Eeuwige je Zijn gelaat toewenden en je vrede geven.” De richting is hier het duidelijkst. God kijkt naar ons op, naar ons, zoals een ouder wordende ouder naar een volwassen kind opkijkt, vol bewondering voor alles wat ons volwassen kind is geworden, naar we hopen, maar de ouder heeft nog steeds wijsheid om door te geven. Terwijl ik deze zin uitspreek, denk ik aan mijn hoop dat mijn kinderen mij op opwindende manieren zullen overtreffen en voor mij zullen zorgen als ik oud ben en de rollen echt zijn omgedraaid. Ik denk ook aan het perspectief en de vrede die de ouderdom mij kan bieden, waardoor ik hen kan zegenen met de vrede die ik mogelijk heb gevonden.

Het is de moeite waard om even theologisch te redeneren en te onderzoeken wat deze interpretatie van deze zegen zou kunnen betekenen ten opzichte van de Eeuwige. Hoe kan God voor ons zorgen, onze gelijke zijn en nog het meest verrassend, naar ons opkijken? De Keli Yakar suggereert dat Israël al vroeg in de geschiedenis van het volk Israël, nog vóór Egypte en terwijl het in Egypte was, als een dochter van God was, voor wie de Eeuwige moest zorgen. Later is Israël een zuster of bruid van God – een gelijke, in zekere zin. Het ontvangen van de Tora wordt in de rabbijnse theologie gezien als de bruiloft van God en Israël. En vanaf de tijd van de rabbijnen van de Talmoed tot op de dag van vandaag hebben wij het vermogen wetten te maken en Gods decreten te interpreteren. In zekere zin heersen wij over God, dus God kijkt nu naar ons op. Wij, het Joodse volk, zijn Gods moeder, suggereert de Keli Yakar.

Het Joodse volk is gezegend met al deze drie fasen in de relatie met de Eeuwige. Mogen wij als ouders allemaal gezegend zijn met de zorg voor en bescherming van onze kinderen als ze klein zijn. Mogen wij gezegend zijn dat wij van onze kinderen mogen genieten als onafhankelijke volwassenen en als leeftijdsgenoten, die wij gelijkwaardig in de ogen kunnen kijken. En mogen wij ook gezegend zijn, om naar hen op te kijken als ze voor ons zorgen wanneer we oud zijn.