Sjabbat Noach, 25 oktober 2025/ 3 chesjwan 5786
Beresjiet/Genesis: 6: 9 – 22, 7: 1 – 24, 8: 1 – 5; Tanach blz. 13 – 15.
Haftara: Jesjajahoe 54: 1 – 55: 5; Tanach blz. 892 – 894.
Vertaler: Channa Kistemaker
Coördinatie: Harry Polak
Commentaar: rabbijn Jonathan Sacks z.l., o.a. opperrabbijn van het Britse Gemenebest
Use the link to read or listen to the original text in English.
_________________________________________________
Individuele en collectieve verantwoordelijkheid
Ooit had ik de gelegenheid om de katholieke schrijver Paul Johnson te vragen wat hem het meest was opgevallen aan het jodendom, gedurende de lange periode die hij besteedde aan onderzoek voor zijn meesterlijke werk: A History of the Jews. Hij antwoordde ongeveer in deze bewoordingen: “Er zijn in de loop van de geschiedenis samenlevingen geweest die de nadruk legden op het individu – zoals het seculiere Westen van vandaag. En er zijn er geweest die het collectief belangrijker vonden – bijvoorbeeld communistisch Rusland of China.”
Het jodendom, vervolgde hij, was het meest succesvolle voorbeeld dat hij kende dat de delicate balans tussen beide wist te vinden – door evenveel gewicht te geven aan individuele als aan collectieve verantwoordelijkheid. Het jodendom was een religie van sterke individuen en sterke gemeenschappen. Dat was volgens hem zeer zeldzaam en moeilijk te realiseren en vormde een van onze grootste prestaties.
Het was wijs en fijnzinnig opgemerkt. Zonder het te weten, had hij in feite Hillels aforisme geparafraseerd: “Als ik niet voor mezelf ben, wie zal het dan (individuele verantwoordelijkheid) zijn? Maar als ik alleen voor mezelf ben, wat ben ik dan (collectieve verantwoordelijkheid)?” Dit inzicht stelt ons in staat om de argumentatie van de sidra Noach te zien op een manier die anders wellicht minder voor de hand had gelegen.
De sidra begint en eindigt met twee grote gebeurtenissen: de zondvloed enerzijds, en Babel met haar toren anderzijds. Op het eerste gezicht hebben ze niets met elkaar gemeen. De tekortkomingen van de generatie voor de zondvloed zijn duidelijk. “In Noachs tijd was de aarde in Gods ogen verdorven en vol onrecht. (…) God zag dat de aarde door en door slecht was, dat iedereen een verderfelijk leven leidde (…).” (Beresjiet 6: 11-12) Slechtheid, geweld, corruptie, perversie: dit is het idioom van een diepgeworteld moreel falen.
Babel daarentegen lijkt bijna idyllisch. “Ooit werd op de hele aarde één enkele taal gesproken.” (Beresjiet 11: 1) De bouwers zijn gericht op constructie, niet op destructie. Het is verre van duidelijk wat hun zonde was. Maar vanuit het perspectief van de Tora vertegenwoordigt Babel opnieuw een ernstige misstap, want God verstrooit alle bouwers en onmiddellijk daarna roept Hij Abraham op om een geheel nieuw hoofdstuk in de religieuze geschiedenis van de mensheid te beginnen. Er is geen zondvloed – God had sowieso gezworen dat Hij de mensheid nooit meer op zo’n manier zou straffen. Zoals Hij zei:
“Nooit weer zal Ik de aarde vervloeken vanwege de mens, want alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht. Nooit weer zal Ik alles wat leeft doden, zoals Ik nu heb gedaan.” (Beresjiet 8: 21)
Maar het is duidelijk dat God na Babel tot de conclusie komt dat er een andere manier voor de mens moet zijn om te leven.
Zowel de zondvloed als de toren van Babel zijn geworteld in feitelijke historische gebeurtenissen, ook al is het verhaal niet in de taal van de beschrijvende geschiedenis geschreven. Mesopotamië kende vele zondvloedmythen, die allemaal getuigen van de herinnering aan rampzalige overstromingen, vooral in de vlakke gebieden van de Tigris-Eufraatvallei (zie het commentaar van Rabbijn David Zvi Hoffman op Beresjiet 6, die suggereert dat de zondvloed zich mogelijk beperkte tot centra van menselijke bewoning, in plaats van de hele aarde te bedekken). Opgravingen in Shurrupak, Kisj, Uruk en Ur – de geboorteplaats van Abraham – onthullen bewijs van kleiafzettingen tijdens de zondvloed. Evenzo was de toren van Babel een historische realiteit. Herodotus vertelt over de heilige omheining van Babylon, met in het midden een ziggurat of toren van zeven verdiepingen, 90 meter hoog. De overblijfselen van meer dan dertig van dergelijke torens zijn ontdekt, voornamelijk in Neder-Mesopotamië en er zijn veel verwijzingen in de literatuur uit die tijd gevonden die spreken over dergelijke torens die “tot in de hemel reikten”.
De verhalen over de zondvloed en Babel zijn echter niet louter historisch, omdat de Tora geen geschiedenis is, maar “onderwijs, instructie”. Ze zijn er omdat ze een diepgaande moreel-sociaal-politiek-spirituele waarheid vertegenwoordigen over de menselijke situatie zoals de Tora die ziet. Ze vertegenwoordigen respectievelijk precies de tekortkomingen die Paul Johnson aangaf. De zondvloed vertelt ons wat er met de beschaving gebeurt wanneer het individu de overhand heeft en er geen collectief is. Babel vertelt ons wat er gebeurt wanneer het collectief regeert en individuen eraan worden opgeofferd.
Thomas Hobbes (1588-1679), de denker die in zijn klassieke Leviathan (1651) de basis legde voor de moderne politiek, gaf hieraan – zonder naar de zondvloed te verwijzen – de beste interpretatie. Voordat er politieke instellingen waren, zei Hobbes, bevonden mensen zich in een “natuurstaat”. Ze waren individuen, groepen, bendes. Zonder een stabiele leider, een effectieve regering en afdwingbare wetten zouden mensen in een staat van permanente en gewelddadige chaos verkeren – “een oorlog van iedereen tegen iedereen” – terwijl ze concurreerden om schaarse hulpbronnen. Er zou “voortdurende angst en gevaar voor een gewelddadige dood zijn; en het leven van de mens, eenzaam, arm, onaangenaam, bruut en kort.” Zulke situaties bestaan vandaag de dag in een hele reeks mislukte of falende staten. Dat is precies de beschrijving die de Tora geeft van het leven vóór de zondvloed. Wanneer er geen rechtsstaat is om individuen te beperken, is de wereld vol geweld.
Babel is het tegenovergestelde en we hebben nu belangrijk historisch bewijs voor wat er precies bedoeld werd met de zin: “Ooit werd op de hele aarde één enkele taal gesproken.” Dit verwijst waarschijnlijk niet naar een oorspronkelijke mensheid vóór de verdeling van de talen. Sterker nog, in het vorige hoofdstuk heeft de Tora al gesteld: “Van hen stammen de mensen af die verspreid over de kustgebieden leven, elke familie en elk volk in zijn eigen land en met zijn eigen taal.” (Beresjiet. 10: 5) De Talmoed Yerushalmi, Megilla 1:11, 71b, vermeldt een geschil tussen R. Eliezer en R. Jochanan, van wie één stelt dat de verdeling van de mensheid in zeventig talen plaatsvond vóór de Zondvloed.
Het verhaal lijkt te verwijzen naar de keizerlijke praktijk van de neo-Assyriërs, die hun eigen taal oplegden aan de volken die ze veroverden. Een inscriptie uit die tijd vermeldt dat Assurbanipal II “de totaliteit van alle volken één taal liet spreken.” Een cilinderinscriptie van Sargon II luidt: “Bevolkingen van de vier windstreken met vreemde talen en onverenigbare taal… die ik op bevel van mijn heer Ashur als buit had genomen, door de macht van mijn scepter, heb ik één spraak laten aannemen.” De neo-Assyriërs bevestigden hun suprematie door te beweren dat hun taal de enige was die gebruikt mocht worden door de volkeren en bevolkingsgroepen die ze hadden verslagen. In deze lezing is Babel een kritiek op het imperialisme.
Er is zelfs een spoor hiervan te zien in de gelijkenis qua taalgebruik tussen de bouwers van Babel en de Egyptische farao die de Jisraëlieten tot slaaf maakte. In Babel zeiden ze: “Kom, [hava] laten we een stad bouwen met een toren… opdat [pen] we niet over de aardbodem verspreid worden” (Beresjiet 11: 4). In Egypte zei de farao: “Kom, laten we verstandig handelen, opdat ze niet zo talrijk worden…” (Sjemot 1: 10) De herhaling van de zinsconstructie “Kom, laten we… opdat” is te uitgesproken om toevallig te zijn. Babel, net als Egypte, vertegenwoordigt een rijk dat hele bevolkingsgroepen onderwerpt en hun identiteit en vrijheden met voeten treedt.
Als dit zo is, zullen we het hele verhaal van Babel opnieuw moeten lezen op een manier die het veel overtuigender maakt. De volgorde is als volgt: Genesis 10 beschrijft de verdeling van de mensheid in zeventig naties en zeventig talen. Genesis 11 vertelt hoe één imperialistische macht kleinere naties veroverde en hun zijn taal en cultuur oplegde, wat rechtstreeks indruist tegen Gods wens dat mensen de integriteit van elke natie en elk individu zouden respecteren. Wanneer God aan het einde van het verhaal van Babel “de taal van de bouwers verwart”, schept Hij geen nieuwe situatie. Hij herstelt in feite de oude.
Zo geïnterpreteerd is het verhaal van Babel een kritiek op de macht van het collectief wanneer het de individualiteit verplettert – de individualiteit van de zeventig culturen die in Genesis 10 worden beschreven. (Een persoonlijke noot: ik had het voorrecht om 2000 leiders van alle wereldgodsdiensten toe te spreken tijdens de Millennium Vredestop van de Verenigde Naties in augustus 2000. Het bleek dat er precies 70 tradities – elk met hun eigen onderverdelingen en sekten – vertegenwoordigd waren. Het lijkt er dus op dat er nog steeds zeventig basisculturen zijn.) Wanneer de rechtsstaat wordt gebruikt om individuen en hun onderscheidende talen en tradities te onderdrukken, is ook dat fout. Het wonder van het monotheïsme is dat eenheid in de hemel diversiteit op aarde schept, en God vraagt ons (onder duidelijke voorwaarden) die diversiteit te respecteren.
Dus de zondvloed en de toren van Babel, hoewel tegenpolen, zijn met elkaar verbonden, en de hele sidra Noach is een briljante studie van de condition humain. Er zijn individualistische en collectivistische culturen, en beide mislukken: de eerste omdat ze leiden tot anarchie en geweld, de tweede omdat ze leiden tot onderdrukking en tirannie. Paul Johnsons inzicht blijkt zowel diepgaand als waar te zijn. Na de twee grote mislukkingen van de zondvloed en Babel werd Abraham opgeroepen om een nieuwe vorm van sociale orde te scheppen die zowel het individu als het collectief, persoonlijke verantwoordelijkheid en het algemeen belang evenzeer in ere zou houden. Dat blijft de bijzondere gave van Joden en het jodendom aan de wereld.
