Sjabbat Pinchas, 4 juli 2026/19 Tammoez 5786
Bemidbar/Numeri 25:10 – 26:51; Tanach blz. 321.
Haftara: Jirmeja 1:1 – 2:3; Tanach blz. 720.
Vertaler: Paula Reisner
Coördinatie: Channa Kistemaker
Commentaar: Rabbijn Laurie Rice is een van de geestelijk leiders van Congregation Micah te Nashville, Tennesee.
Use the link to read or listen to the original text in English.
_________________________________________________
Radicale gerechtigheid?
“Stel in al uw steden die de Eeuwige, uw God, u in uw stamgebieden zal geven, rechters en griffiers aan, die zorg moeten dragen voor een zuivere rechtspraak. U mag de rechtspraak niet beïnvloeden en niet partijdig zijn. U mag geen steekpenningen aannemen, want steekpenningen maken het oog van de wijze blind en de stem van de rechtvaardige vals.” (Devarim/Deut. 16:18-20)
Deze woorden, die we later in de zomer zullen lezen, dienen als herinnering aan een les uit sidra Pinchas, een les over oordeel en rechtvaardigheid. Het nastreven van rechtvaardigheid is niet altijd gemakkelijk, zelfs niet voor God.
Op een dag komen de dochters van Tselofchad – Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirtsa – naar Mosjee toe met de bewering dat zij recht hebben op de erfenis van hun vader, omdat hun vader is gestorven zonder een mannelijke erfgenaam achter te laten. In Bemidbar/Num. 27:6-7 laat God Mosjee weten dat hun zaak rechtvaardig is en dat hij het erfdeel van hun vader aan hen moet overdragen:
“En de Eeuwige zei tegen Mosjee: “Tselofchads dochters hebben gelijk. Je moet hun inderdaad een stuk grond in bezit geven, net als de broers van hun vader. Wat hun vader toekwam moet op hen overgaan.” (Bemidbar/Num. 27:6,7)
De dochters van Tselofchad beweren dat als ze het land niet krijgen, de naam van hun vader verloren zal gaan. In Bemidbar/Num. 36 stellen de stamhoofden van Menasjè dat als de dochters van Tselofchad het land van hun vader krijgen en buiten de stam van Menasjè trouwen, dat land in handen van een andere stam zal vallen. God oordeelt dat de argumenten van de stamhoofden van Menasjè rechtvaardig zijn en de dochters van Tselofchad krijgen te horen dat ze binnen de stam moeten trouwen om hun landbezit te behouden.
Op het eerste gezicht lijkt Gods oordeel een overwinning voor de dochters van Tselofchad en voor alle Jisraëlietische vrouwen wat betreft erfrecht. Maar waarom geeft de Tora vrouwen dan geen erfrecht, behalve in het geval dat er geen zonen zijn? Ondanks deze uitzonderlijke uitspraak in sidra Pinchas, waarom lijkt de Tora vrouwen dan te discrimineren, met name wat betreft het recht van een vrouw om het land te erven dat ooit van haar ouders was?
In “The Other Half: Women in Jewish Tradition” schreef professor Paula E. Hyman:
“Binnen het kader van het traditionele jodendom zijn vrouwen geen rechtspersonen. Net als minderjarigen, doofstomme mensen en mensen met een verstandelijke beperking kunnen zij niet als getuigen optreden in joodse rechtbanken… zij erven niet op gelijke voet met mannelijke erfgenamen; zij spelen slechts een passieve rol in de joodse huwelijksceremonie; en zij kunnen geen echtscheidingsprocedure starten.”
Velen hebben geschreven over de achtergestelde positie van vrouwen in de Tora, zoals geïllustreerd door gevallen als dat van de dochters van Tselofchad (merk de ironie op dat we hen bij de naam van hun vader noemen). Misschien is het de bedoeling dat we deze tekst, en soortgelijke teksten, niet alleen lezen om een dialoog over feministische rechten aan te gaan, maar om de grotere vraag te stellen: wie wordt er binnen onze gemeenschap gemarginaliseerd?
Soms ligt het antwoord bij vrouwen. Wanneer we het lot van de ongedocumenteerden binnen onze grenzen negeren, zijn het de vreemdelingen. Wanneer we de rug toekeren aan de daklozen of de hongerigen, zijn het de minderbedeelden. Wanneer we zwijgen over gevoelige kwesties zoals wapengeweld, zijn het onze kinderen.
Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirtsa brengen hun protest in het openbaar, voor de ontmoetingstent. In de moderne tijd zouden ze een interview van vijf minuten in de Today Show en twee minuten in de Oval Office krijgen. Zij waren de gelukkigen. Hoeveel van degenen die geen stem hebben, gemarginaliseerd zijn en vergeten worden, blijven ongehoord? Het is onze Joodse plicht om naar hun stem te luisteren en op hun smeekbeden te reageren. Ook zij hebben een naam.
Vergis u niet, de zusters in onze sidra hebben een onrechtvaardige Tora-wet aangevochten en veranderd. Dat was geen geringe prestatie. Door op te komen voor hun rechten, zorgden ze voor een eerlijke behandeling voor anderen. Laten we, nu we deze sidra jaar na jaar lezen, niet alleen opkomen voor de rechten van vrouwen. Moge hun moed en kracht ons dit keer inspireren om hetzelfde te doen voor anderen en hun stem te laten horen in de ontmoetingstent.

The Daughters of Zelophehad