Sjabbat Sjemini

Sjabbat Sjemini, 11 april 2026 / 24 Niesan 5786

Wajikra/Leviticus 9: 1 – 10: 11 Tanach blz. 212.

Haftara: II Sjmoeël 6:1 – 19; Tanach blz. 617 – 619.

Vertaler: Benjamin Cohen

Coördinatie: Channa Kistemaker

Commentaar: Walter Herzberg is emeritus assistent-professor Hebreeuwse Bijbel en interpretatie en professionele pastorale vaardigheden aan het Jewish Theological Seminary.

Oorspronkelijke Engelse tekst

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

Zes perspectieven op de eigenschappen van een leider

In hoofdstuk acht van Wajikra fungeert Mosjé in feite als tijdelijke kohen gadol, hogepriester, tijdens de inwijding van de Misjkan, de tabernakel. Op de achtste dag worden, volgens Rasji, Aharon en zijn zonen officieel ingewijd in het priesterschap. Mosjé draagt de positie over aan zijn broer Aharon die samen met zijn nakomelingen officieel als priesters en hogepriesters zal dienen. De overdracht vindt plaats in Wajjikra 9:7:

Tegen Aharon zei Mosjé: ‘Neem je plaats bij het altaar in en draag het reinigingsoffer en het brandoffer op om voor jezelf en het volk verzoening te bewerken. Draag daarna de offers van het volk op om voor hen verzoening te bewerken, zoals de Eeuwige bevolen heeft.’

Het tekstuele probleem identificeren: commentatoren hebben opgemerkt dat de zinsnede “neem je plaats bij het altaar in” (of: “nader het altaar”) overbodig lijkt. Als Aharon de opdracht krijgt “draag het reinigingsoffer … op”, is het dan niet vanzelfsprekend dat hij het altaar moet naderen? Deze tekstuele kwestie zal de basis vormen voor onze beschouwing van de eigenschappen van een leider, gebaseerd op ons onderzoek van de opmerkingen in de traditionele Joodse commentaren.

Evaluatie van de oplossingen voor het probleem door de commentatoren:

Rasji (Rabbi Sjlomo ben Jitschak, Frankrijk, 1040-1105) stelt dat Aharon de opdracht kreeg het altaar te naderen (naast het brengen van het reinigingsoffer) omdat hij “zich schaamde en bang was om te naderen. Mosjé zei daarom tegen hem: Waarom schaam je je? Hierom ben je immers gekozen!”

De commentatoren proberen uit te leggen wat Rasji bedoelt met “Hierom ben je immers gekozen” voor een leiderschapspositie. Wat was precies de waardevolle eigenschap die Aharon bezat en die hem waardig maakte voor zo’n verheven positie?

Degel Mahaneh Efraim, in naam van zijn grootvader de Baal Sjem Tov (Rabbi Mosje Chaim Efraim van Sudilkov, Polen, 1742-1800), stelt dat Mosjé tegen Aharon zei: “Juist omdat je verlegen en nederig bent, omdat je ontzag en terughoudendheid voor God hebt en jezelf onwaardig acht – juist daarom ben je uitverkoren.” Hij benadrukt het belang van nederigheid voor een leider.

Minchah Beloela (Rabbi Avraham Rappaport, Italië, 1520-1596) citeert echter de midrasj dat “het altaar aan hem verscheen in de vorm van een [gouden] kalf; daarom was hij bang. Zoals bekend concretiseert iemands verbeelding datgene wat de geest verontrust en daar voortdurend aanwezig blijft. Aharon kon zijn gedachten niet losmaken van zijn [medeplichtige rol] in de kwestie van het [gouden] kalf, steeds denkend aan die zonde… daarom zag hij het altaar in de vorm van een kalf. En dat Mosjé zei: ‘daarom ben je gekozen’ betekent dat je gekozen bent omdat je voortdurend aan de zonde denkt en je daardoor schaamt – en daarom bent gekozen om de rol van hogepriester te vervullen.

Aharon is niet gekozen omdat hij volmaakt is, maar eerder vanwege zijn berouw en zijn schaamte over die ene zonde. Hij vergeet zijn misstap niet. Zijn bijna obsessieve preoccupatie geeft misschien aan dat hij bereid is de verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden – zowel in het verleden als in het heden – een waardevolle eigenschap voor een leider.

Ramban (Nachmanides, Rabbi Moses ben Nachman, Spanje, 1194–1270) citeert daarentegen dezelfde midrasj, maar concludeert dat Mosjé Aharon aanspoort een zekere mate van hoogmoed of overmoed te omarmen en niet zo “neerslachtig” te zijn, want God heeft hem vergeven. Met andere woorden: Aharon werd voor de positie gekozen, dus God heeft hem vergeven en daarom is overdreven bescheidenheid of aarzeling ongepast. Een obsessieve preoccupatie met het verleden kan verlammend werken; de leider moet verder gaan en soms met een bijna overdreven zelfverzekerde vastberadenheid en assertiviteit handelen. Wanneer men voor een positie wordt gekozen, moet men de uitdaging aangaan.

De Ketav Sofer (Avraham Benjamin Sofer, de zoon van de Chatam Sofer, Hongarije, 1815–1871) merkt op, net als de Mincha Beloela hierboven, dat een leider niet wordt gekozen omdat hij perfect is. Hij gaat echter nog een stap verder door te suggereren dat een leider eigenlijk “iemand moet zijn die een doos reptielen op zijn rug draagt”, wat betekent dat hij bagage met zich meedraagt. En dit is wat Mosjé bedoelde toen hij Aharon aanspoorde met de vraag: “Waarom schaam je je?” Aharon was bezorgd dat hij hoogmoedig zou worden nu hij tot zo’n hoge positie was verheven (in tegenstelling tot Ramban’s interpretatie dat Aharon zich zorgen maakte dat hij het niet waardig was). Mosjé zegt hem daarom dat hij zich geen zorgen hoeft te maken, omdat hij juist gekozen was vanwege zijn zonden en daardoor niet hoogmoedig zou worden.

Misschien zal een leider die zijn uitdagingen kent en/of zich daarvan bewust is, minder snel hoogmoedig worden en empathie kunnen hebben met anderen. De Ketav Sofer prijst dus niet de eigenschap van nederigheid zoals de Mincha Beloela, maar waarschuwt juist tegen het cultiveren van een buitensporige en zelfs onnodig gevoel van nederigheid.

Een onverwachte interpretatie wordt geboden door Sjraga Hameir (Rabbi Sjraga Feivisj Schneebalg, 20e eeuw, Londen / Benei Berak, in een voetnoot bij Be’er Majiem Chajiem, het 16e-eeuwse supercommentaar op Rasji), die suggereert dat “waarom schaam je je?” eigenlijk moet worden begrepen als “waarom treuzel je?” (gebaseerd op zijn interpretatie van het Hebreeuwse ב.ו.ש.). Mosjé waarschuwt Aharon dan ook om niet te treuzelen met het brengen van het offer, aangezien hij was uitgekozen vanwege zijn bereidheid om gehoor te geven aan de roeping tot plicht, zoals blijkt uit Sjemot 4, waar volgens Rasji “Aharon niet treuzelde [om] Gods opdracht naar Egypte te vervullen en daardoor het priesterschap verdiende in plaats van Mosjé [die de aanvaarding van de opdracht uitstelde].” Mosjé herinnert Aharon er dus aan waarom hij was uitgekozen en waarom “hij onmiddellijk het offer moet brengen en niet mag uitstellen.”

De kwaliteit van het omarmen van je verplichtingen als leider en het tijdig en uiterst professioneel nakomen ervan lijkt de kern te zijn van Sjraga Hameir’s opmerking.

Laten we nog een laatste commentaar bekijken en het perspectief verschuiven van Aharon’s leiderschapskwaliteiten naar die van Mosjé. Be’er Jitschak (Rabbi Jitschak Horowitz, Galicië,19e eeuw, een van Rasji’s belangrijkste, hoewel minder bekende, supercommentaren) merkt op dat Aharon zichzelf niet “waardig achtte voor de positie… dus liep hij langzaam” en kwam tot stilstand. “En toen Mosjé dit besefte, door Aharons bewegingen en gezichtsuitdrukking” moedigde hij Aharon aan door de woorden “nader het altaar” uit te spreken op een manier die hem zou inspireren en aanmoedigen om door te gaan. Zoals mijn student Jeremy Fineberg (RS ’19) scherpzinnig opmerkte, kon Mosjé Aharon juist dáárom motiveren omdat hij zijn woorden zorgvuldig koos. Mosjé toont een ontwikkeld intuïtief vermogen waardoor hij anderen kan motiveren en hen kan helpen een taak succesvol af te ronden of een verplichting te aanvaarden.

Volgens Be’er Jischak is Mosjé zich bewust van de spanning die een leider kan ervaren wanneer de eigenschap nederigheid (die Aharon bezat) in conflict komt met de noodzaak om voor zichzelf op te komen om de taken die bij zijn positie horen te volbrengen.

Nu we zes commentaren hebben gelezen die verschillende paradigma’s van leiderschap bieden, moeten we reflecteren op de verschillende eigenschappen die daarin naar voren zijn gekomen:

Nederig zijn. Berouwvol/spijtig zijn. Zelfverzekerd/vastberaden zijn. Verantwoordelijkheid nemen. Getekend zijn door persoonlijke uitdagingen, zowel in het verleden als in het heden. Betrouwbaar/professioneel zijn. Intuïtief zijn. Empathisch zijn. Inspirerend zijn/in staat zijn om het succes van anderen te ondersteunen. Zorgvuldig woorden kiezen.

Welke van deze eigenschappen spreken ons het meest aan? Welke zijn het belangrijkst en welke het minst belangrijk bij onze leiders?