Sjabbat Sjoftiem, 15 augustus 2026/ 2 Elloel 5786
Dewariem/Deuteronomium 16: 18 – 18:8 ; Tanach blz. 385.
Haftara: Jesjajahoe 51:12 – 52:12; Tanach blz. 888.
Vertaler: Paula Reisner
Coördinatie: Channa Kistemaker
Commentaar:Shira Billet is docente joodse filosofie en ethiek aan het Jewish Theological Seminary te New York.
Use the link to read the original text in English.
_________________________________________________
Motivatie doet ertoe : leiders goed kiezen
Sidra Sjoftiem behandelt zowel de uitdagingen als de kansen van leiderschap. Zoals een groot deel van Devariem schetst deze tekst een wereld waarin de Israëlieten nog niet wonen: een wereld waarin ze soeverein en gevestigd zijn en een agrarisch bestaan leiden. Het is een wereld die verschilt van zowel de slavernij in Egypte als de onzekerheid van de woestijn, en waarop zij zich moeten voorbereiden. Hier legt Mosjee de basis: hij draagt verschillende leiderschapsmodellen aan en maakt de regels van oorlogsvoering duidelijker. Te midden van deze scenario’s wijst Mosjee op de volgende mogelijkheid:
Wanneer u in het land gekomen bent dat de Eeuwige, uw God, u zal geven en u het in bezit hebt genomen en er woont, zegt u misschien: “Laten we een koning aanstellen, net zoals de volken om ons heen.” Dat is geoorloofd: u mag uit uw midden iemand die door de Eeuwige, uw God, zal worden uitgekozen, als koning aanstellen. Maar het mag niet iemand uit een ander land of van een ander volk zijn. Hij mag geen paarden gaan houden, want hij zou zijn volksgenoten naar Egypte kunnen terugsturen om voor uitbreiding van zijn stallen te zorgen, in strijd met de waarschuwing van de Eeuwige dat we nooit meer die weg terug mogen gaan. [Devarim/Deut.17:14-17]
Op zichzelf beschouwd – en zeker in de historische context – lijkt dit een verstandig advies: zoek een koning die begaan is met het volk en degelijk leiderschap toont, iemand die niet uit is op eigen gewin. Een intertekstuele lezing suggereert echter dat dit gedeelte fungeert als een ‘geweer van Tsjechov’ en vooruitloopt op de val van het Noordelijk koninkrijk en de verwoesting van de Eerste Tempel.
‘Tsjechovs geweer’, toegeschreven aan de Russische toneelschrijver Anton Tsjechov, is een vertelprincipe dat inhoudt, dat wanneer de aandacht van het publiek op iets wordt gevestigd – een voorwerp, een personage, een achtergrondverhaal, enzovoort – dat element op de een of andere manier noodzakelijk moet zijn voor het verhaal als geheel.
Dus, terug naar de koning.
In 1 Sjmoeëel betreden we een wereld waarin Sjmoeëel – rechter, profeet en priester – de leider van de Israëlieten is. Dit is het model dat in het boek Sjoftiem/Rechters wordt geschetst en het lijkt naar behoren te functioneren. Althans, totdat de oudsten tegen Shmoeëel zeggen: “U bent oud geworden en uw zonen volgen uw voorbeeld niet na. Benoem liever een koning om ons te besturen, zoals alle andere volken er een hebben.” [I Sjmoeëel 8:5].
Ondanks de woorden uit Devarim – die Sjmoeëel ongetwijfeld kende – is hij niet blij met dit verzoek. God stelt hem gerust, verzekert hem ervan dat de Israëlieten Gods leiderschap verwerpen (en niet dat van Shmoeëel) en draagt hem op aan hun verzoek te voldoen.
Hoewel geleerden en commentatoren door de eeuwen heen hebben gediscussieerd over de vraag of het aanstellen van een koning een gebod dan wel een aanvaardbare optie is, ben ik veel meer gefascineerd door het refrein: “Dan pas zullen we gelijk zijn aan alle andere volken.”[I Sjmoeëel 8:20]
Want… het is niet de bedoeling dat we precies zo zijn als alle anderen. Of je ‘uitverkorenheid’ nu opvat als een exclusieve of een inclusieve status, onze heilige teksten – te beginnen met de Tora zelf – maken duidelijk dat het niet de bedoeling is dat Israël precies zo is als alle andere volken. De rabbijnen van de Talmoed worstelden met deze tegenstrijdigheid en stelden zich in de Talmoed (Sanhedrin 20b) voor dat er twee verschillende gesprekken gaande waren; verschillende geledingen van de gemeenschap hadden uiteenlopende wensen:
Er wordt in een baraita onderwezen: Rabbi Eliëzer zegt: De oudsten van de generatie van Sjmoeëel deden een terecht verzoek, zoals er staat: “Geef ons een koning om over ons recht te spreken” [I Sjmoeëel 8:5], aangezien zij een vaste leider wilden ter vervanging van Sjmoeëel.
In dit verhaal wilden de oudsten van de gemeenschap simpelweg een stabiele leider – een koning, een rechter, kortom iemand die een geschikte opvolger voor Shmoeëel zou zijn. Het volk wilde echter zijn zoals alle anderen.
“Maar de onwetenden onder hen bedierven het, zoals er staat: ‘Maar het volk weigerde naar de stem van Sjmoeëel te luisteren; en zij zeiden: Nee, er moet een koning over ons zijn, zodat ook wij kunnen zijn als alle volken, en zodat onze koning over ons recht kan spreken, voor ons uit kan trekken en onze oorlogen kan voeren'” [I Sjmoeëel 8:19-20]
Voor de rabbijnen is het duidelijk wat de juiste keuze is; ‘onwetende’ is geen neutrale term!
Vandaag de dag leven we in een wereld die de voorstelling van onze bijbelse voorouders ver te boven gaat. We beschikken over soevereiniteit in ons eigen land, maar zijn tegelijkertijd onderworpen aan buitenlandse mogendheden. Hoewel ieder van ons een rol speelt bij het kiezen van onze leiders, herinnert onze tekst ons eraan dat we nog steeds een afgezonderd volk zijn.
Van het boek Sjemot/Exodus, waarin Jisraëel wordt uitgeroepen tot “een koninkrijk van priesters en een heilig volk” [Sjemot/Ex. 19:6], tot Jisraëel, die Israël aanduidt als “een licht voor de volken” [Jesjaja 42:6]: de Tanach maakt overduidelijk dat Israël – in zijn regels, gedrag, theologie en leiderschap – niet hetzelfde hoort te zijn als alle andere volken. Dat is onze zegen, onze vloek en onze missie.
