Sjabbat Tazria/Metsora

Sjabbat Tazria/Metsora, 18 april 2026/1 Ijar 5786

1ste sefer: Wajikra/Leviticus 12: 1 – 13: 39  Tanach blz. 212.

2de sefer: Beresjiet/Genesis 1:14 – 19  Tanach blz. 3 – 4

Haftara: Jesjajahoe 66:10 – 23; Tanach blz. 912 – 913.

Vertaler: Bram Lagendijk

Coördinatie: Channa Kistemaker

Commentaar:Rabbijn Jonathan Sacks z’’l was bij leven opperrabbijn van het Verenigd Koninkrijk.

Oorspronkelijke Engelse tekst

 

Use the link to read the original text in English.  

_________________________________________________

Heiligheid en bevalling

De regels in de sidrot Tazria en Metsora behoren tot de moeilijkst te begrijpen wetten. Ze gaan over omstandigheden van ‘onreinheid’ die voortkomen uit het feit dat we fysieke wezens zijn, vormgegeven zielen. In de woorden van Hamlet blootgesteld aan “de duizend aangeboren angsten die in ons lichaam huizen”. Hoewel we onsterfelijke verlangens koesteren, is sterfelijkheid de voorwaarde van het menselijk bestaan, zoals dat geldt voor al het vormgegeven leven.

Rambam legt het zo uit:

We hebben al aangetoond dat schepping, in overeenstemming met de goddelijke wijsheid, alleen kan plaatsvinden door vernietiging. En zonder vernietiging van de individuele leden van de soort zou de soort zelf niet permanent bestaan… Wie denkt dat hij vlees en botten kan hebben zonder onderworpen te zijn aan enige externe invloed, of aan toevalligheden van de materie, wenst onbewust twee tegenstellingen met elkaar te verzoenen, namelijk tegelijkertijd onderworpen en niet onderworpen te zijn aan verandering. (Maimonides, Guide for the Perplexed, III:12)

Door de geschiedenis heen zijn er twee verschillende en tegengestelde manieren geweest om met dit feit om te gaan: hedonisme (leven voor fysiek genot) en ascese (het afzien van fysiek genot). Het eerste vereert het fysieke en ontkent het spirituele, het tweede verheft het spirituele ten koste van het fysieke.

 
De Joodse manier is altijd anders geweest: het heiligen van het fysieke (eten, drinken, seks en rust), het lichaam tot een voertuig maken voor de goddelijke aanwezigheid. De reden is eenvoudig. Wij geloven met alle vertrouwen dat de God van de verlossing ook de God van de schepping is. De fysieke wereld waarop wij wonen is de wereld die God heeft geschapen en “zeer goed” heeft verklaard. Hedonist zijn is God ontkennen. Ascetisch zijn is de goedheid van Gods wereld ontkennen. Joods zijn is zowel de schepping als de Schepper huldigen. Dat is het principe dat veel, anders onbegrijpelijke, aspecten van het Joodse leven verklaart.

De wetten waarmee sidra Tazria begint, zijn hiervan treffende voorbeelden:

Wanneer een vrouw een kind baart en het is een jongen, blijft ze zeven dagen onrein; ze is

dan op dezelfde manier onrein als tijdens haar menstruatie. Daarna duurt het nog drieëndertig dagen voor ze rein is na haar bloeding bij de bevalling; tijdens deze periode mag ze niets aanraken dat heilig is en de Eeuwige toebehoort, en mag ze het heiligdom niet binnengaan. (Wajikra 12:2-4)

Wanneer ze een dochter baart, blijft ze veertien dagen onrein; ze is dan op dezelfde manier

onrein als tijdens haar menstruatie. Daarna duurt het nog zesenzestig dagen voor ze rein is na haar bloeding bij de bevalling. (Wajikra 12:5)

Wanneer de periode van haar reiniging is verstreken, moet ze brandoffer en een reinigingsoffer aanbieden. (Wajikra 12:6)

Wat is de betekenis van deze wetten? Waarom maakt een bevalling de moeder teme’a (meestal vertaald als ‘ritueel onrein’, beter te begrijpen als ‘een toestand die een directe ontmoeting met heiligheid belemmert of ervan vrijstelt’)? En waarom is de periode na de geboorte van een meisje twee keer zo lang als na de geboorte van een jongen?

De verleiding is om deze wetten te beschouwen als inherent onbegrijpelijk voor de mens. Verschillende rabbijnse uitspraken lijken dat te suggereren. In werkelijkheid is dat niet zo, zoals Maimonides uitvoerig uitlegt in de Guide for the Perplexed. We kunnen weliswaar nooit zeker weten – met name wat betreft wetten die gaan over kedoesja (heiligheid) en tehara (reinheid) – of ons begrip correct is. Maar daardoor hoeven we onze zoektocht naar begrip niet op te geven, ook al zal elke verklaring op zijn best speculatief en voorlopig zijn.

Het eerste principe dat essentieel is voor het begrijpen van de wetten van rituele reinheid en onreinheid, is dat God leven is. Het Jodendom verwerpt nadrukkelijk alle cultussen, zowel oude als nieuwe, die de dood verheerlijken. De grote piramides van Egypte waren grandioze grafmonumenten. Arthur Koestler merkte op dat zonder de dood “de kathedralen instorten, de piramides in het zand verdwijnen en de grote orgels verstommen”. De Engelse bovennatuurlijke dichters grepen er voortdurend op terug als thema. Zoals T.S. Eliot schreef:

Webster was zeer gefascineerd door de dood
En zag de schedel onder de huid¼
Donne was, denk ik, ook zo iemand¼
Hij kende de pijn van het beenmerg,
De koorts van het skelet¼

Whispers of Immortality, T. S. Eliot

Freud bedacht het woord thanatos om het op de dood gerichte karakter van het menselijk leven te beschrijven. Jodendom is een protest tegen culturen die op de dood gericht zijn. “Niet de doden loven de Eeuwige, niet wie zijn afgedaald in stilte” (Tehilliem/Psalmen 115:17) “Wat baat het U als ik sterf, als ik afdaal in het graf? Kan het stof U soms loven en getuigen van Uw trouw?” (Tehilliem 30:10) Wanneer we een Sefer Tora openen, zeggen we: “Jullie die intens zijn verbonden met de Eeuwige jullie God, jullie zijn allen vandaag in leven.” (Dewariem/Deuteronomium 4:4) De Tora is een levensboom. God is de God van het leven. Zoals Mosje het gedenkwaardig verwoordde: “Kies voor het leven.” (Dewariem 30:19)

Hieruit volgt dat kedoesja (heiligheid) – een moment in tijd of ruimte waarop we ons in de onmiddellijke aanwezigheid van God bevinden – een volkomen bewustzijn van leven inhoudt. Daarom is contact met een lijk het schoolvoorbeeld van toema (onreinheid). Andere gevallen van toema zijn ziekten of lichaamsvloeistoffen die ons aan onze sterfelijkheid herinneren. Gods domein is het leven. Daarom mag het op geen enkele manier in verband worden gebracht met tekenen van de dood.

Juda Halevi verklaart de reinheidswetten als volgt:


Een dood lichaam vertegenwoordigt de hoogste mate van verlies van leven, en een melaats ledemaat is alsof het dood is. Hetzelfde geldt voor het verlies van zaad. Omdat het begiftigd was met levenskracht, in staat om een ​​mens voort te brengen. Het verlies ervan vormt daarom een ​​contrast met wat leeft en ademt. (De Kuzari, II-60)

De reinheidswetten gelden uitsluitend voor Jisraël, betoogt Halevi, juist omdat het Jodendom de hoogste levensbeschouwing is en de aanhangers ervan daarom uiterst gevoelig zijn voor zelfs de meest subtiele verschillen tussen leven en dood.

Een tweede, even opvallend principe is de grote gevoeligheid die het Jodendom toont voor de geboorte van een kind. Niets is natuurlijker dan voortplanting. Elk levend wezen doet eraan mee. Sociaal biologen gaan zelfs zo ver dat ze beweren dat een mens een manier is waarop een gen een ander gen creëert. Daarentegen beschrijft de Tora uitvoerig hoe veel van de heldinnen uit de Bijbel – onder wie Sara, Rivka, Rachel, Hanna en de Soenamitische vrouw – onvruchtbaar waren en alleen door een wonder kinderen kregen.

Het is duidelijk dat de Tora hier een onmiskenbare boodschap wil overbrengen. Joods zijn betekent weten dat overleven niet alleen een kwestie van biologie is. Wat andere culturen als natuurlijk beschouwen, is voor ons een wonder. Elk Joods kind is een geschenk van God. Geen enkel geloof heeft kinderen zo serieus genomen of zoveel energie gestoken in het opvoeden van de volgende generatie. De geboorte is een wonder. Ouder zijn is hoe ieder van ons het dichtstbij God zelf komt. Dat is overigens de reden waarom vrouwen dichter bij God staan ​​dan mannen, omdat zij, in tegenstelling tot mannen, weten wat het is om nieuw leven uit zichzelf voort te brengen, zoals God leven uit zichzelf voortbrengt. Dit idee wordt prachtig weergegeven in het vers waarin Adam, na het verlaten van Eden, zich tot zijn vrouw wendt en haar Chava noemt, “want zij is de moeder van al het leven”.

We kunnen nu stilstaan bij de wetten voor de bevalling. Wanneer een moeder bevalt, loopt ze een groot risico. Door de eeuwen heen is de bevalling een levensbedreigend gevaar geweest voor zowel moeder als kind, en zelfs vandaag de dag zijn er voor velen nog steeds risico’s aanwezig. Bovendien wordt een vrouw tijdens de bevalling gescheiden van wat tot dan toe deel uitmaakte van haar eigen lichaam (een foetus, zeiden de rabbijnen “is als een ledemaat van de moeder”) en dat nu een zelfstandig persoon is geworden. Als dat al zo is voor een jongen, dan is dat dubbel zo voor een meisje, dat met Gods hulp, niet alleen zal leven, maar later zelf een bron van nieuw leven kan worden. In zekere zin duiden de wetten daarom op de scheiding van leven en leven.

Op een ander niveau suggereren ze ongetwijfeld iets meer diepgaands. Er is een halachisch principe: “Wie een mitswa verricht, is vrijgesteld van andere mitswot“. Het is alsof God tegen de moeder zegt:

Veertig dagen voor een jongen, en het dubbele aantal voor een meisje (de band tussen moeder en dochter is naar zijn aard sterker dan die tussen moeder en zoon) vrijwaar Ik je van het verschijnen voor Mij in de heilige plaats, omdat je volledig bezig bent met een van de heiligste daden van allemaal: het koesteren en verzorgen van je kind. In tegenstelling tot anderen hoef je de Tempel niet te bezoeken om verbonden te zijn met het leven in al zijn heilige pracht. Je ervaart het zelf, direct en met elke vezel van je wezen. Dagen, weken later zul je komen en Mij dankzeggen (samen met offers voor het doorstaan ​​van een moment van gevaar). Maar kijk nu met verwondering naar je kind. Want je hebt een glimp opgevangen van het grote geheim, dat anders alleen aan God bekend is.

De bevalling ontslaat de kersverse moeder van de verplichting om de Tempel te bezoeken, omdat haar kraambed de ervaring van de Tempel nabootst. Ze weet nu wat het betekent dat liefde leven voortbrengt en dat ze, te midden van de sterfelijkheid, een gevoel van onsterfelijkheid ervaart.