Sjabbat Tetsawe

Sjabbat Tetsawe, Sjabbat Zachor, 28 februari 2026/ 11 Adar 5786

1ste sefer: Sjemot/Exodus: 25: 20 – 28:30 Tanach blz. 165.

2de sefer: Dewariem/Deuteronomium 25:17 – 19 Tanach blz. 401

Haftara: I Sjmoeëel/I Samuel 15:2 –34; Tanach blz. 568-570.

Vertaler: Bram Lagendijk

Coördinatie: Channa Kistemaker

Commentaar:Rabbijn Lilly Kaufmann is verbonden aan het Jewish Theological Seminary in New York.

Oorspronkelijke Engelse tekst

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

De sieraden van een topleraar

Zonder gebruik te maken van alchemie, veranderde de zestiende-eeuwse Italiaanse commentator Sforno (1470-1550) edelstenen in goud. In een paar korte woorden over de edelstenen die de kleding van de hogepriester sierden, zoals beschreven in sidra Tetsawe, deelt Sforno een werkelijk prachtig inzicht in hoe je grootsheid als leraar kunt bereiken.

We lezen in Sjemot 28:2: ” Laat voor je broer Aharon heilige kleding maken die hem waardigheid en glorie verleent.” Over het woord tiferet (glorie) stelt Sforno dat de hogepriester een kohen-moree nora zal zijn, een geweldige priester-leraar. Hij legt uit: “Want zij zijn zijn leerlingen, die in zijn hart en op zijn schouders gegrift staan.”

Deze verklaring verwijst naar de namen van de stammen van Jisraël, die gegraveerd waren op edelstenen die de hogepriester droeg als onderdeel van zijn rituele gewaad. De hogepriester droeg avnee-sjoham, waarschijnlijk lapis lazuli, in de vorm van een epaulet op elke schouder, waarbij elke steen gegraveerd was met de namen van zes stammen van Jisraëel, in totaal twaalf namen. Hij droeg ook twaalf verschillende edelstenen, gerangschikt in rijen op het borstschild, gezet in goud. Elke edelsteen op het borstschild was afzonderlijk gegraveerd met de naam van een stam van Jisraëel (Sjemot 28:6-11; 15-21).

Waarom droeg de hogepriester de namen van stammen op zijn schouders en borst? We kunnen overwegen dat het dragen van de namen van zijn volk bedoeld was om de opperste religieuze leider nederig te houden en hem eraan te herinneren wie hij voor God vertegenwoordigt. Maar Sforno’s opmerking leidt ons weg van religieus leiderschap, naar het ogenschijnlijk ongerelateerde gebied van onderwijs.

Sforno ontleent de uitdrukking ‘priester-leraar’ aan 2 Kronieken 15:3, waarin een onrustige periode in de Jisraëlitische geschiedenis wordt beschreven als een tijd waarin “een priester-leraar en de Tora ontbraken”. Hij grijpt deze korte Bijbelse verwijzing naar de priester als leraar aan om te definiëren wat het betekent om een ​​meesterdocent te zijn.

Zoals ik Sforno begrijp, neemt een leraar die de namen van zijn leerlingen op zijn schouders draagt, verantwoordelijkheid voor hen en voor wat ze leren. Dat is taakgerichtheid. Een leraar die de namen van zijn leerlingen in zijn hart draagt, geeft om zijn leerlingen. Dat is persoonsgerichtheid. Een topleraar schenkt aandacht aan beide aspecten.

Deze twee essentiële waarden in het onderwijs – zorg voor de leerstof en zorg voor de leerling – kunnen met elkaar botsen. Een leraar die zich sterk richt op het behandelen van een grote hoeveelheid lesstof vóór een bepaalde datum, kan over het hoofd zien hoe zijn leerling leert. Het gevolg is dat de leerling de lesstof oppervlakkig beheerst, zonder ooit een diepere betekenis van de stof te ontwikkelen die om verbeeldingskracht vraagt; of zonder een emotionele verbinding die om emotionele betrokkenheid vraagt; of, cruciaal, zonder verbinding met de stof die zelfstandig denken vereist. Zal deze leerling ooit genoeg van het vak houden om er zelfstandig meer over te leren? De focus van deze docent op het zo snel mogelijk afronden van de lesstof kan voorbijgaan aan de vraag of de stof wel betekenisvol zal zijn voor de leerling.

Een leraar die zich te veel op de persoon richt, kan daarentegen overmatig bezorgd raken over het emotionele welzijn van de leerling. Hij zou de eisen die aan de leerling worden gesteld daardoor kunnen versoepelen, zoals het ontwikkelen van discipline om complexe leerstof te leren. Deze docent loopt het risico de leerling niet voldoende uit te dagen, wat de leerling de kans zou geven het harde werk uit de weg te gaan dat nodig is om essentiële inhoud of vaardigheden te leren beheersen. De focus van deze docent op hoe de leerling zich voelt, kan ten koste gaan van wat de leerling leert.

Extreme nadruk op óf taakgerichtheid óf persoonsgerichtheid is niet wenselijk. De wijze leraar werkt voortdurend op creatieve wijze aan de balans tussen beide.

Gelukkig kunnen leraren veranderen: ze kunnen leren! Een leraar kan zijn eigen voorkeur of vooringenomenheid in het lesgeven herkennen en vaststellen of hij van nature meer geneigd is tot taakgericht of persoonsgericht lesgeven. Hij kan er vervolgens naar streven zijn voorkeuren in balans te brengen met wat zijn leerlingen nodig hebben. Dankzij deze zelfkennis kan de ‘geweldige’ leraar de onderwijsstandaarden handhaven en rekening houden met de verschillende manieren waarop leerlingen denken en hun verbeeldingskracht ontwikkelen. Een constante blijk van interesse in zowel de inhoud als de leerling zorgt voor een stabiele en rijke leeromgeving voor de leerling.

Op Poeriem lezen we in Megillat Esther, een tragikomische fantasie over koninklijke macht, uitgedrukt in elementen zoals onbeperkt eten en drinken, weelderige wandtapijten en rustbanken van massief goud; en door het reduceren van vrouwen tot lustobject. Alles bedoeld om de grillen van een impulsieve, machtige dwaas van een koning te bekoren. De Perzische fantasie van koninklijke kleding vertoont enkele fysieke overeenkomsten met de rituele kleding van de hogepriester, zoals beschreven in Tetsawe. Maar in Sjemot past de Tanach de koninklijke extravagantie aan, aan het vormgeven van de symbolische kleding van de religieuze leider. Daarbij blijft een deel van de pracht en praal behouden, maar wordt de luister verweven met verantwoordelijkheid – kawod (waardigheid) wordt toegevoegd aan de tiferet (glorie). De rabbijnse traditie versterkt het Bijbelse begrip van wat het betekent om werkelijk indrukwekkend te zijn, met opmerkingen zoals die van Seforno.

Sforno’s inzicht over de geweldige leraar nodigt uit tot navolging. We kunnen niet allemaal de hogepriester zijn, maar we kunnen wel fantastische leraren zijn. We kunnen onszelf twee vragen stellen, wanneer we lesgeven in een formele omgeving, thuis met onze eigen kinderen en kleinkinderen, of als mentor op onze werkplek. We kunnen ons afvragen: draag ik, wanneer ik deze persoon als mijn leerling aanneem, zijn of haar naam echt in mijn hart? Draag ik zijn of haar naam met succes op mijn schouders?

Als we deze vragen consequent met ‘ja’ kunnen beantwoorden, dan hebben we onze energie actief ingezet in het voordeel van de tekst en de leerling, en hebben we oprechte integriteit als leraren bereikt. Dan worden we mamlechet kohaniem wegoj kadosj, een koninkrijk van priesters en een heilige natie. En dat is puur goud.