Commentaar op sidra Tsav

Sjabbat Tsav, Sjabbat HaGadol, 28 maart 2026/ 10 Niesan 5786

Wajikra/Leviticus: 6: 1 – 7:10; Tanach blz. 205.

Haftara: Maleachi 3:4-24; Tanach blz. 1233-1234.

Vertaler: Paula Reisner

Coördinatie: Channa Kistemaker

Commentaar:Rabbijn Nancy Kreimer is rector van het Religious Studies Program aan het Reconstructionist Rabbinical College.

Oorspronkelijke Engelse tekst

 

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

Betekenis vinden in oude rituelen

Elizabeth Ehrlich was ooit een niet-religieuze “culturele Jood”. De uitvoering van de Joodse religie trok haar weinig aan. Miriam’s Kitchen: A Memoir (1997) is Ehrlichs verslag van een jaar waarin ze van haar schoonmoeder, Miriam, een Poolse Holocaustoverlevende, de details van wetten en gebruiken van de kitchen-religion leerde kennen. Naarmate het jaar vorderde, raakte Ehrlich steeds meer geïnteresseerd in het beoefenen van rituelen in haar eigen huis. Ze wilde “de kleine details van het dagelijks leven een diepere betekenis geven”. Ze besefte dat iemand dit tot een ‘prioriteitsmissie’ moest maken, en dat zij die iemand zou zijn.

We kunnen een lijn trekken vanuit de keuken van Elizabeth Ehrlich naar de sidra die voor ons ligt. Veel hedendaagse Joden vinden deze sidra een van de passages die hun ogen glazig doen worden. Reform theologe Rachel Adler vertelt dat ze in haar jeugd het woord ‘ritueel’ nooit hoorde zonder dat het voorafgegaan werd door het woord ‘zinloos’. Ook Arnold Eisen, een geleerde op het gebied van het hedendaagse jodendom, richtte zich jarenlang op zogenaamd hogere zaken (zoals geloof en verbond) in plaats van het offerstelsel te bestuderen (Taking Hold of Torah, 1997, p. 71). Als de offerrituelen in het heiligdom (Wajikra/Lev. 6:1-7:48) al weinig interesse wekken, lijken de uitgebreide riten voor de priesterwijding (Leviticus 8:136) zowel archaïsch als problematisch, omdat ze vrouwen uitsluiten van geestelijk leiderschap.

In de loop der jaren zijn Adler, Eisen en vele anderen de kracht van de rituelen die in deze sidra worden beschreven, gaan waarderen. Naarmate we rituelen als menselijk fenomeen leren kennen, gaan we ze begrijpen als een eigen taal, met een unieke betekenis. Om recht te doen aan het offerstelsel, moeten we de Israëlitische offers in hun context plaatsen met behulp van antropologie, sociologie, vergelijkende godsdienstwetenschap en zelfs neurobiologie. We kunnen ons ook afvragen hoe dit offerritueel is getransformeerd in het christendom en het jodendom. Wanneer we de Joodse transformatie van het offerstelsel beschouwen, kunnen de vraagstukken rond gender, macht, spiritualiteit en leiderschap in een genuanceerder licht komen te staan.

Antropologe Mary Douglas, die wel “de moeder van de studie der rituelen” wordt genoemd, laat zien dat Wajikra een specifieke manier heeft om het onderwerp spiritualiteit en het lichaam in relatie tot offers te benaderen.

Het christendom transformeerde offers door de symboliek ervan centraal te stellen in de eredienst. Priesters bereidden de eucharistie voor, het lichaam en bloed van het ultieme ‘lam’ van God, en de gelovigen aten en dronken ervan. Carolyn Walker Bynum beschrijft dat, hoewel vrouwen gemarginaliseerd waren, nonnen en vrouwelijke leken uit de hogere klasse in de middeleeuwen hun weg vonden naar dit systeem van gesacraliseerde voeding door middel van vastenrituelen en extatische feesten (Holy Feast and Holy Fast, 1987).

Na de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem vervingen de rabbijnen het offerstelsel op twee manieren. De eerste was om via gebed en studie met God in contact te treden. De tweede was via een systeem dat de offers in een nieuwe vorm in stand hield, zoals gesuggereerd in Wajikra/Lev. 7:22-27. Het hele complex van wetten en rituelen rond het bereiden en nuttigen van voedsel werd een andere manier waarop het offerstelsel voortleefde. Met deze verandering werden vrouwen de rituele specialisten voor wat ooit Tempeloffers waren, maar nu een huiselijke transformatie ondergingen – omdat vrouwen in de traditionele Joodse samenleving, net als in veel andere culturen, de voedselvoorziening beheren.

De Tora zegt dat de tafel waaraan we eten, lijkt op het altaar van de Tempel (BT B’rachot 55a). We worden opgeroepen onze handen te wassen voordat we het brood breken, niet alleen om ze te reinigen, maar omdat de priesters hun handen wasten voordat ze een offer brachten.

Bij het bakken van brood neemt de bakker een klein stukje deeg (challa) en verbrandt dit als symbool voor het offer. Op de sjabbat symboliseren de challot de toonbroden die in de tempel werden geofferd.

Het bewaren van de traditionele voedseltaboes, het wegnemen van challa, het voorbereiden van het huis voor feestdagen en de sjabbat (letterlijk “sjabbat maken”), en het uitdelen van voedsel aan de armen – dit zijn allemaal gebieden waarop vrouwen belangrijke rituele functies hebben vervuld. Er is een oud gezegde dat Hayim Soloveitchik aanhaalt: “A Jiddisje bale-baste (een Joodse huisvrouw) neemt alleen instructies van haar moeder aan.”

Susan Starr Sered, een religie-antropologe, deed onderzoek naar ongeletterde Koerdisch-Joodse vrouwen, die in Jeruzalem woonden. Dit onderzoek bracht haar ertoe vooroordelen over de aard van spiritualiteit en heiligheid ter discussie te stellen. In haar boek Women as Ritual Experts (1992) beschrijft ze hoe deze vrouwen een religieuze cultuur ontwikkelden naast het Jodendom, zoals dat door de mannen werd beoefend met behulp van teksten en de synagoge. Zoals ze opmerkt, was wat antropoloog Robert Redfield de ‘kleine traditie’ noemt, gebaseerd op het huiselijke leven, waar vrouwen de rituele experts waren. De huiselijke religie gebruikte veel van dezelfde symbolen en ideeën als het ‘mannelijke’ jodendom, maar paste ze toe om de dagelijkse taken van de vrouwen te heiligen, in het domein dat zij beheersten. In Sereds onderzoek speelde de voedselbereiding een grote rol, van het naleven van de wetten in huis tot het uitdelen van koekjes bij de graven van voorouders nadat gebeden waren verhoord.

Deze vrouwen hadden wat zij een ‘devotionele autonomie’ noemde ontwikkeld. Tijdens de Holocaust stelden enkele Joodse vrouwen die in Theresienstadt waren geïnterneerd een kookboek samen uit hun geheugen. De gevangenen van Theresienstadt herinnerden zich hun recepten voor chocoladetaart, ganzenborst, pruimenstrudel en andere traditionele gerechten en schreven die op, terwijl ze moesten zien te overleven op aardappelrestjes. Hun inspanningen waren een soort spirituele opstand, een daad van verzet tegen wreedheid, een herinnering aan de alledaagse wereld die ze hadden gekend en beheerst. Deze halfvergeten recepten, gekrabbeld op stukjes papier, werden de teksten die hen hielpen hun situatie te overstijgen. Decennia later belandde hun boek bij de dochter van een van de auteurs die in de kampen was omgekomen. Het boek werd in 1996 uitgegeven onder de titel In Memory’s Kitchen door Cara de Silva.

Elizabeth Ehrlich – het keukenhulpje van haar schoonmoeder – leerde iets verrassends over spiritueel leiderschap. Dit wil niet zeggen dat vrouwen zich tegenwoordig moeten neerleggen bij uitsluiting van de academische wereld of de politiek en zich moeten terugtrekken in huis en haard. Integendeel, als we streven naar een leven van spirituele integriteit, doen we er goed aan onze blik te verbreden voorbij de zogenaamd hogere zaken en de kracht van het gezin te herinneren, waardoor Joodse vrouwen – tegen alle verwachtingen in – generaties lang een sterke band met God en de gemeenschap hebben weten te behouden.