Sjabbat Vajétsé

Sjabbat Vajétsé, 29 november 2025/ 9 kislev 5786

Beresjiet/Genesis: 28: 10 – 22, 29: 1 – 35; Tanach blz. 56 – 59.

Haftara: Hosjea 11: 7 – 13: 5; Tanach blz. 1154.

Vertaler: Eddy Robles

Coördinatie: Harry Polak

Commentaar:Sam Berrin Shonkoff, Stanford Hillel

Oorspronkelijke Engelse tekst

 

Use the link to read the original text in English.  

_________________________________________________

Jacob, de arbeidsmigrant

De bumpersticker op de auto van mijn broer luidt: “Iedereen doet het beter als iedereen het beter doet.” Deze uitspraak bruist van optimisme: het is een visie op gedeeld werk en gedeelde winst. Maar als ik deze zin herhaal, beginnen de termen te wankelen: is het “beter doen” economisch of moreel? Wie wordt beschouwd als deel van “iedereen?” Jacob merkt in de Tora-lezing van deze week dat hij deel uitmaakt van een fractie van werk en winst, wat de nuance in deze slogan helpt verhelderen.

Jacob is een arbeidsmigrant. Hij vlucht voor een gevaarlijke situatie thuis en zoekt zijn toevlucht in Haran (Genesis/Beresjit 27: 41-45). In dit vreemde gebied doet hij zwaar werk in de landbouw voor zijn oom Laban, die de rol van bedrieglijke en gewelddadige werkgever op zich neemt. Omdat Jacob berooid aankomt, maakt Laban gemakkelijk misbruik van hem. Vanuit Labans perspectief biedt dit een prachtige kans op economische groei, zowel voor hemzelf als voor zijn gemeenschap.

Volgens de Midrasj zijn de Haranieten zich bewust van deze uitbuiting. Laban roept iedereen bijeen en herinnert hen eraan dat Jacobs arbeid hun economische situatie heeft verbeterd. “Doe wat je goeddunkt,” antwoorden de mensen. Laban kondigt vervolgens aan dat hij Jacob oneerlijk zal overhalen om nog zeven jaar te blijven. “Doe wat je wilt,” zeggen ze (Beresjiet Rabba 70: 19). De gemeenschap moedigt Laban stilzwijgend aan. Ze geloven dat hun welvaart collectief zal toenemen: Iedereen doet het beter wanneer iedereen het beter doet.

Uitbuiting en rechten

Miljoenen arbeidsmigranten lijden vandaag de dag onder de gevolgen van deze denkwijze. Ze worden op vrijwel dezelfde manier uitgebuit als Jacob, en deze uitbuiting wordt – expliciet of impliciet – ondersteund door de gemeenschappen om hen heen. In Thailand werken Birmese immigranten lange uren voor weinig geld in onveilige, gewelddadige omgevingen. In de VS zwoegen in Mexico geboren landarbeiders onder gevaarlijke omstandigheden en velen verdienen een inkomen onder de armoedegrens. Machtige landen plukken de vruchten, krijgen een flexibel arbeidsaanbod en vermijden sociale kosten, zoals gezondheidszorg, eerlijke lonen en overwerkvergoedingen. Ons land, en ieder van ons, is afhankelijk van goedkope arbeidsmigranten wereldwijd.

Dit systeem is mogelijk omdat arbeidsmigranten, zoals Jacob, als marginaal en onzichtbaar worden gezien. Ze maken geen deel uit van “iedereen”. Omdat rechten niet worden toegekend of erkend, heeft de arbeidsmigrant geen verhaal en moet hij elke afschuwelijke situatie die een werkgever hem biedt, accepteren.

Dit verhaal haalt het optimisme weg uit wat ik aanvankelijk voor een vrolijke bumpersticker hield. Toch reageert de Joodse traditie. Ze veroordeelt uitbuiting zoals die door Jacob werd ervaren. Deuteronomium/Dewarim (24: 14-15) leert: “Een dagloner, die het al moeilijk genoeg heeft, mag u niet uitbuiten, of het nu iemand van uw eigen volk betreft of een vreemdeling die in een van uw steden woont.” Onze traditie schrijft voor dat we werknemers – buitenlandse of binnenlandse – niet mogen uitbuiten. Als werkgevers moeten we ethische arbeidspraktijken omarmen. Onze traditie leert ons de slogan anders te interpreteren: “beter doen” is moreel handelen. In dit geval verbeteren we onszelf door ethisch te handelen: iedereen doet het beter wanneer iedereen het beter doet.

Wanneer hebzucht moraliteit overtroeft

Het seculiere arbeidsrecht erkent eveneens dat de behandeling van werknemers primair een morele kwestie is. Dit blijkt uit de bewoordingen van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle arbeidsmigranten en hun gezinsleden (ICMW). Dit document richt zich op mensenrechten en “de inherente waardigheid van ieder mens”, in plaats van op economische belangen. Toch is het veelzeggend dat slechts 27 landen het ICMW hebben geratificeerd, geen van alle belangrijke ontvangende landen van arbeidsmigranten. Hebzucht overtroeft moraliteit in onze wereld. Arbeidsmigranten in ons eigen land en overal ter wereld ontberen fundamentele wettelijke bescherming.

Als we de rechten van arbeidsmigranten niet actief verdedigen, zijn we net zo medeplichtig als de inwoners van Haran aan het lijden van anderen. We kunnen niet van de miljoenen arbeidsmigranten verwachten dat zij voor zichzelf opkomen – hun situatie maakt hen zeer kwetsbaar, voor hen staat er te veel op het spel. Jacob kan Laban niet effectief uitdagen totdat hij onafhankelijk rijk is, een fantasie voor de meeste arbeidsmigranten.

Vanuit het perspectief van economische hebzucht lijkt het misschien verstandig om de andere kant op te kijken en deze onrechtvaardige traditie van uitbuiting te laten voortduren. Maar misschien is er een reden waarom het juist onze eigen voorouder was die werd uitgebuit, een rol die zich op andere plaatsen in de Joodse geschiedenis heeft herhaald. Het is onze plicht om op te komen voor migrantenarbeiders, de collectieve afstammelingen van Jacobs ervaring, zowel nationaal als internationaal.