Sjabbat Waéra, 17 januari 2026/ 28 Tewet 5786
Sjemot/Exodus: 6: 2 – 7:13 Tanach blz. 118.
Haftara: Jechezkeel/Ezechiël 28:25 – 29:21; Tanach blz. 1096 – 1098.
Vertaler: Eddy Robles
Coördinatie: Channa Kistemaker
Commentaar:Rabbijn Beth Kalisch, als geestelijk leider verbonden aan de Beth David Reform Gemeente in Gladwyne, Pennsylvania.
Use the link to read or listen to the original text in English.
_________________________________________________
Nieuwe namen leren
Hoe goed kenden onze geestelijke voorouders G-d eigenlijk? Aan het begin van deze sidra Waéra (וָאֵרָא), lijkt G-d te suggereren dat de relatie niet zo intiem was als we zouden denken.
“G-d zei tegen Mosjee: ‘Ik ben de Eeuwige. Ik ben aan Awraham, Jitschak en Jaäkov verschenen als El Sjadai, maar Mijn naam Eeuwige heb Ik niet aan hen bekendgemaakt.” (Sjemot/Exodus 6:2-3).
De aartsvaders kenden G-d onder één naam, maar blijkbaar niet onder de naam waarmee G-d bekend zou worden aan Mosjee, aan de Jisraëlieten in de latere boeken van de Tanach, of aan Joden vandaag de dag. Het is een verrassende bewering. De aartsvaders worden immers in de Joodse traditie beschouwd als bijzonder intiem met G-d. In de Amida roepen we hun namen aan wanneer we G-d aanspreken – G-d van Awraham, G-d van Jitschak, G-d van Jaäkov – juist vanwege de kracht van hun relatie met G-d. En nu ontdekken we dat ze zelfs een van Gods belangrijkste namen niet kenden?
Als we het boek Beresjiet openslaan, zien we dat de zaken iets complexer zijn dan deze pasoek op het eerste gezicht doet vermoeden. De naam Eeuwige komt overal in Beresjiet voor: de aartsvaders waren zeer vertrouwd met Eeuwige als naam van G-d. Awraham verwijst naar G-d als Eeuwige wanneer hij G-d rechtstreeks aanspreekt. (zie bijvoorbeeld Bersjiet 15:2) en wanneer hij met anderen over G-d spreekt (Beresjiet 14:22). Sarah gebruikt de naam Eeuwige ook wanneer ze met Awraham over G-d spreekt (Beresjiet 16:2). En Jitschak en Jaäkov gebruiken die naam eveneens (zie bijvoorbeeld Beresjiet 26:25 en 28:16).
Maar zelfs als de aartsvaders de naam wel kennen, lijkt wat ze niet weten nog dieper te liggen. Zowel middeleeuwse als hedendaagse geleerden zijn het erover eens dat de pasoek niet simpelweg verwijst naar ‘Eeuwige’ als naam van G-d, maar naar het aspect van Gods wezen dat door die naam wordt aangeduid. “In de oude Nabij Oosterse wereld waren namen in het algemeen, en de naam van een god in het bijzonder… een uitdrukking van karakter of eigenschappen…”, legt de 20e-eeuwse geleerde Nahum M. Sarna uit. 1) Rasji, de rabbijn uit de 11e eeuw, parafraseert de betekenis als volgt: “Zij waren niet vertrouwd met Mij in Mijn eigenschap van ‘trouw blijven’, die wordt vertegenwoordigd door de naam Eeuwige.” (Rasji, commentaar op Sjemot 6:3)
Met andere woorden, Awraham, Jitschak en Jaäkov kenden G-d – en ze kenden zelfs dezelfde namen voor G-d als Mosjee – maar ze hadden nooit echt de kant van G-d ervaren die Mosjee op het punt staat te ervaren: de G-d die ingrijpt in de geschiedenis en slaven bevrijdt van onderdrukking. Hoewel G-d Awraham vertelde dat zijn nakomelingen op een dag tot slaaf zouden worden gemaakt, maar dat G-d hen zou bevrijden (Beresjiet 15:13-14), heeft Awraham dat aspect van Gods macht nooit ervaren of gezien. Dat gold ook voor Jitschak, Jaäkov en iedereen die vóór Mosjee leefde.
Het is een prikkelende gedachte. Het idee van G-d als verlosser, bevrijder van slaven en splijter van de zeeën, staat centraal in de Bijbelse en latere Joodse theologie. Als de kennis van de aartsvaders over G-d geen enkele vertrouwdheid met dit aspect van G-d omvatte, kenden ze G-d dan wel echt goed?
Opmerkelijk genoeg twijfelt de Joodse traditie er nooit aan dat ze dat wel deden. We blijven uit hun namen bidden. Hun kennis van G-d was misschien onvolledig, maar niettemin even diepgaand. En dat is voor mij het meest interessante aspect van deze discussie: het inzicht dat G-d volledig kennen geen voorwaarde is om G-d goed te kennen, omdat G-d zich nog steeds aan het ontvouwen was in het verhaal van onze Tora.
Het lijkt een heel belangrijke les om te onthouden voor onze relaties met andere mensen, die immers naar G-ds beeld geschapen zijn. Een ander mens kennen is in veel opzichten vergelijkbaar met G-d kennen. We kunnen iemand heel diepgaand kennen, maar we kunnen hem of haar nooit volledig kennen, of zelf volledig gekend worden – niet zozeer omdat we elk een mysterie zijn met verborgen geheimen, maar omdat er zoveel potentieel voor groei en verandering in ons schuilt.
We beschouwen onszelf – onze identiteit, onze persoonlijkheid, onze sterke en zwakke punten, onze verlangens – vaak als statisch en concreet. We geven onszelf en anderen labels en denken dat die beschrijven wie iemand werkelijk is. We denken dat onze vrienden alleen zijn wat we van ze hebben gezien; we denken te weten welke keuzes onze partner zal maken of waartoe onze kinderen in staat zijn. Maar geschapen zijn naar G-ds beeld betekent dat we diezelfde potentie voor onverwachte groei en verandering in ons dragen. Zelfs als we iemand heel goed kennen, kunnen we nog steeds verrast worden door nieuwe eigenschappen, nieuwe aspecten van die persoon die in andere omstandigheden naar voren komen. Zelfs generaties later in een relatie kunnen we nog steeds een nieuwe naam ontdekken.
En zo is het ook voor G-d, zelfs in onze tijd: wat we in ons leven van G-d hebben ervaren, is niet de volheid van wat we nog zouden kunnen ervaren. Wie weet welke namen we nog zullen leren? En wie weet wat de volgende generatie misschien wel nog zal leren over Gods aanwezigheid – misschien wel een glimp van Hem opvangen die dichterbij komt dan wij ooit van welke naam dan ook hebben gezien.
1. Nahum M. Sarna, The JPS Torah Commentary: Exodus (Philadelphia: JPS, 1991), p. 31
