Sjabbat Wajésjèv, 13 december 2025/ 23 kislev 5786
Beresjiet/Genesis: 37: 1 – 36; Tanach blz. 76-78.
Haftara: Amos 2: 6 – 3: 8; Tanach blz. 1167-1169.
Vertaler: Benjamin Cohen
Coördinatie: Harry Polak
Commentaar: dr. Yael Landman, assistent-hoogleraar Bijbelstudies JTS, New York
Use the link to read or listen to the original text in English.
_________________________________________________
Tamar, onze moeder
In parasjat Wajesjev begint het verhaal van Joseef, Jaäkov’s lievelingszoon. Maar direct na de start van dit verhaal, wijkt de tekst een hoofdstuk lang af naar het verhaal van een andere zoon van Jaäkov, Jehoeda, en ook van Jehoeda’s drie zonen en zijn schoondochter Tamar. Net zoals het verhaal van Jozef een bronverhaal vormt voor het bredere verhaal van Bnee Jisraeel – de kinderen van Jaäkov die de Israëlieten worden – zo is ook het verhaal van Jehoeda en Tamar een bronverhaal.
Jehoeda heeft drie zonen: Eer, Onan en Sjela. Jehoeda regelt het huwelijk van zijn oudste zoon met een vrouw genaamd Tamar, over wie verder geen details worden verstrekt. Is ze Israëlitisch of Kanaänitisch? Hoe ziet ze eruit? De tekst vertelt ons niks. Wat we wel te weten komen, is dat Eer slecht was in de ogen van God en daarom laat God hem sterven. Jehoeda geeft Onan vervolgens de opdracht om met Tamar te trouwen en nakomelingen te krijgen die aan zijn overleden broer zullen worden toegeschreven, kennelijk een geval van jiboem (leviraatshuwelijk). Maar Onan is niet blij met dit idee en verhindert daarom opzettelijk dat Tamar zwanger wordt. Natuurlijk was ook dit slecht in de ogen van God en dus sterft ook Onan.
Op dit punt zegt Jehoeda tegen zijn schoondochter dat ze in het huis van haar vader moet blijven tot Sjela oud genoeg is om te trouwen. Maar de Tora geeft ons ook een kijkje in zijn gedachten en we leren dat Jehoeda denkt dat Tamar de oorzaak is van de dood van zijn zonen en niet echt van plan is om met hen te trouwen. Tamar blijft in het ongewisse totdat ze op een dag het heft in eigen handen neemt. Jehoeda’s vrouw is overleden en Tamar ontdekt waar Jehoeda op een bepaald moment zal zijn. Ze verbergt haar gezicht met een sluier en doet zich voor als prostituee bij de ingang van een plaats genaamd Enaïm, en Jehoeda trapt erin. Tamar vraagt slim om een paar van Jehoeda’s bezittingen als onderpand, totdat hij een geit stuurt om haar te betalen. Maar in plaats van de betaling te innen, bewaart ze deze bezittingen. Drie maanden later, wanneer duidelijk wordt dat Tamar zwanger is en Jehoeda dit nieuws hoort, gaat hij uit van het ergste en eist hij dat ze levend verbrand wordt. Op dat moment haalt Tamar de voorwerpen tevoorschijn die hij haar gaf, waarop Jehoeda beseft wat er precies gebeurd is en ook haar zuivere motieven inziet. Jehoeda zegt dan de beroemde woorden: צדקה ממני – ‘zij is onschuldig maar ik niet’.
Aan het einde van dit verhaal bevalt Tamar van een tweeling, Perets en Zerach. We kunnen deze mededeling koppelen aan een genealogie aan het einde van het boek Ruth, die een directe lijn trekt van Tamar en Jehoeda’s zoon Perets naar de toekomstige koning David.
Wat moeten we denken van Tamar, een vrouw met onduidelijke afkomst, die zich voordoet als prostituee en haar schoonvader ertoe verleidt met haar naar bed te gaan om zijn afkomst in stand te houden?
Ik stel voor dat we Tamar beschouwen in de bredere context van de imahot – de matriarchen, tot wie in de klassieke zin Sara, Rivka, Rachel en Lea worden begrepen, hoewel we ook de onzichtbare moeders naast hen kunnen noemen – Hagar, Bilha en Zilpa. In hoeverre zou Tamar, als moeder in Genesis en directe voorouder van de toekomstige koning van Israël, tot deze groep kunnen behoren?
Op het eerste gezicht zijn er enkele belangrijke verschillen tussen Tamar en de klassieke canon van matriarchen. Ten eerste lijkt Tamar, in tegenstelling tot Sarah, Rivka, Rachel en Lea, niet verwant te zijn aan de voorouderlijke familie; in plaats daarvan is haar afstamming onduidelijk. Er zijn geen patriarchale onderhandelingen over haar huwelijk, zoals we zien bij Rivka, Rachel en Lea, en er is geen sprookjesachtige ontmoeting bij een waterput. Ze spreekt niet tot God en roept zijn naam niet aan (althans niet in de Bijbeltekst zelf, terwijl de midrasj een gebed aan haar verhaal toevoegt). Tamar raakt onmiddellijk zwanger, zonder dat ze tot God hoeft te bidden en zonder dat er wordt verwezen naar God die haar baarmoeder opent.
En ondanks dat Tamar misschien niet aan onvruchtbaarheid lijdt, wordt ze toch verhinderd zwanger te worden door goddelijke tussenkomst, in de vorm van God die haar echtgenoten doodt en door de tussenkomst van mensen. Net als de matriarchen die draagmoeders inschakelen om op een onconventionele manier kinderen te krijgen, neemt Tamar het initiatief en bedenkt een creatief plan om op onconventionele wijze kinderen te baren.
Hoewel Tamar haar man en haar koppelaarster niet bij een waterput ontmoet, ontmoet ze Jehoeda wel bij een plaats die Enaïm heet, wat vertaald kan worden als ‘twee bronnen’, dat wil zeggen: waterbronnen.
Het is ook opmerkelijk dat Jehoeda Tamar meteen na het einde van de rouw om zijn vrouw ontmoet, namelijk waar in Genesis het vers 38: 12 de term וַיִּנָּחֶם gebruikt – “hij werd getroost” – hetzelfde werkwoord dat wordt gebruikt voor de troost van Jitschak na de dood van zijn moeder, toen hij met Rivka trouwde.
De midrasj in Genesis Rabba 85 ziet overeenkomsten tussen de verhalen over Tamar en Rivka: “Er waren twee die zich met een sluier bedekten, Tamar en Rivka, en ook kregen beiden een tweeling.” Net zoals Rivka zich met een sluier bedekt in het verhaal waarin ze haar man Isaak ontmoet, bedekt Tamar zich met een sluier voor haar ontmoeting met Jehoeda. En net zoals Rivka een tweeling baart – Jaäkov en Esav – baart Tamar een tweeling, Perets en Zerach. De midrasj verbindt Tamar expliciet met de matriarch Rivka.
In de vroege Joodse tekst Bijbelse Oudheden verschijnt Tamar in de context van een ander bronverhaal, de aanloop tot de Exodus. Wanneer farao eist dat alle mannelijke Israëlitische baby’s gedood worden, wordt Amram (Mosjee’s vader) neergezet als de hoofdpersoon die de Israëlieten aanmoedigt hem ongehoorzaam te zijn. Amram houdt een toespraak waarin hij de Israëlieten aanspoort om net als Tamar te zijn:
“Want wanneer onze vrouwen zwanger worden, zullen ze pas na drie maanden als zwanger worden herkend, zoals ook onze moeder Tamar. Want haar bedoeling was niet hoererij, maar omdat ze niet van de zonen van Israël wilde scheiden, dacht ze na en zei: ‘Het is beter voor mij te sterven omdat ik gemeenschap heb gehad met mijn schoonvader dan om gemeenschap te hebben met heidenen.’ En ze verborg de vrucht van haar schoot tot de derde maand… En haar bedoeling redde haar van alle gevaar. Laten we daarom nu ook hetzelfde doen.”
Omdat Tamar moedig en met eerbare bedoelingen handelde, redde God haar. Amram spoort het volk aan niet te wanhopen, maar net als Tamar te zijn. Amram noemt haar “onze moeder Tamar” – in het Hebreeuws zouden we zeggenתמר אמנו – en benadrukt haar moederlijke rol en haar toewijding aan het voortbestaan van de Israëlieten, ondanks het gevaar dat ermee gepaard ging.
Hoewel deze tekst de Tora zelf zeker verrijkt, stel ik voor dat we de manier waarop de Bijbelse Oudheden en de Genesis Rabba Tamar beschrijven, als volgt beschouwen: als Rivka-achtig, als “onze moeder”, als een voorbeeld van moed en toewijding aan Bnee Jisraeel. Tamar verschilt in vele opzichten van de matriarchen uit Genesis, maar toch kunnen we haar tussen hen plaatsen. Zodoende kunnen we ook ons inzicht verbreden over wie centraal staat in ons verhaal en wie onze rolmodellen zouden moeten zijn.
