Sjabbat Wajigasj, 27 december 2025/ 7 tevet 5786
Beresjiet/Genesis: 44: 18 – 34, 45: 1 – 27; Tanach blz. 94 – 97.
Haftara: Jechèzkél 37: 15 – 28; Tanach blz. 1115 – 1116.
Vertaler: Frits Pront
Coördinatie: Harry Polak
Commentaar:rabbijn Neal J. Loevinger, Temple Beth-El, Kauneonga Lake, New York
Use the link to read the original text in English.
_________________________________________________
De bevrijding van Jehoeda
Jehoeda’s smeekbede aan Joseef is een teken van zijn persoonlijke groei en vermogen om zich te kunnen inleven in het verdriet van zijn vader
Aan het einde van het deel in de Tora van vorige week had Joseef, nu de eerste minister van Egypte, georganiseerd dat er een waardevolle beker in Benjamins zadeltassen werd gestopt toen al zijn broers terug naar hun vader gingen met voedsel om de hongersnood af te wenden. De beker wordt ontdekt en het ziet er naar uit dat Benjamin, de jongste, in Egypte zal moeten blijven om Joseefs dienaar te zijn.
In een van de meest aangrijpende verhalen van de hele Tora begint de sidra van deze week met Jehoeda die zichzelf aanbiedt om de plaats van Benjamin in te nemen, zodat Jaäkov niet beroofd wordt van zijn twee jongste zonen. Joseef maakt zich bekend aan zijn broers en de familie wordt onder zijn bescherming herenigd in Egypte. Joseef vestigt zijn hele familie, inclusief zijn vader, al zijn broers en hun gezinnen, in Egypte, in het land Gosjen.
Focus
Jehoeda deed een stap naar voren en zei: “Neemt u mij niet kwalijk, heer, u bent als de farao, maar sta uw dienaar alstublieft toe iets tegen u te zeggen, zonder dat u in woede ontsteekt (Beresjiet 44: 18).
Psjat (envoudige uitleg)
Wanneer blijkt dat Benjamin voor straf weggevoerd zal worden als dienaar van Joseef voor het ogenschijnlijk stelen van de (verborgen) beker treedt Jehoeda naar voren en verdedigt hem op heroïsche wijze door zichzelf in diens plaats te stellen. Hij spreekt nederig maar welbespraakt, smekend om genade namens Benjamin en pleitend dat hun oude vaders hart totaal gebroken zou zijn.
Drasj (verhalende uitleg)
Jehoeda’s verdediging van Benjamin is een van de meest heroïsche momenten in de Tora; Jehoeda lijkt zichzelf onbaatzuchtig op te offeren omwille van zijn broer en vader.
Hij is veranderd sinds de dag dat hij en zijn broers vele jaren eerder Joseef in de put gooiden. In die tijd was het allereerst Jehoeda die voorstelde om Joseef als slaaf te verkopen (Beresjiet 37: 26). Hij had zichzelf misschien de ellende willen besparen om zijn broer in feite te doden (en als bijvangst een beetje geld te verdienen) of misschien had hij een plannetje willen smeden om Joseef in leven te houden toen de anderen zijn bloed wilden vergieten – het is niet duidelijk wat zijn motieven waren, maar hij was diep betrokken bij het kwaadaardige plan.
Toch was Jehoeda niet de oudste van de broers en het is niet meteen duidelijk waarom hij degene was die naar voren stapte om Benjamin te verdedigen en zichzelf in de plaats van zijn broer aan te bieden. (Hij was de op drie na oudste.) We kunnen opmerken dat zowel Reoeveen als Jehoeda persoonlijk Benjamins veilige terugkeer naar Jaäkov (42: 37; 43: 8-10) hebben gegarandeerd.
Bovendien was Simeon, de op een na oudste, er niet, omdat hij door Joseef als gijzelaar werd vastgehouden toen Joseef hen ervan beschuldigde spionnen te zijn; maar dat laat Reoeveen en Levi nog steeds als hoger dan Jehoeda in de rangorde van opeenvolgende geboorten en daarom wellicht met een hogere mate van leiderschapsverantwoordelijkheid, althans zoals de meeste oude samenlevingen het zouden hebben bekeken.
Dus is onze vraag nog steeds onbeantwoord: waarom was het van alle broers Jehoeda die naar voren stapte om Benjamin te verdedigen?
Midrasj Tanchoema, een verzameling midrasj-verhalen uit de Talmoedische tijd, biedt een vindingrijke mogelijkheid. Er de aandacht op vestigend dat het verhaal van Jehoeda en zijn schoondochter Tamar (Beresjiet 38) onmiddellijk volgt op het verhaal van het tonen van Joseefs bloedige gewaad aan Jaäkov (37: 31-35), poneert de midrasj een link. In deze midrasj was het Jehoeda die Jaäkov ervan overtuigde dat Joseef dood was; als reactie zei God tegen Jehoeda:
“Je bent nu nog kinderloos en je kent de pijn wanneer je kinderen iets overkomt niet. Je hebt je vader problemen veroorzaakt door hem ten onrechte te doen geloven dat zijn zoon Joseef in stukken gescheurd is, helemaal uiteengereten. Tijdens uw leven zult u een vrouw trouwen en dan uw zoon begraven, en [daarna zult u] de pijn van het hebben van kinderen kennen.” (Midrasj Tanchoema, Wajigasj: 9; geciteerd in Aviva Zornberg’s, The Oorsprong van Verlangen, een opmerkelijk boek over hedendaagse Bijbelse exegese. Ik heb de midrasj in een iets andere richting getrokken dan zij, maar haar essay is erg inzichtelijk.)
Op het eerste gezicht legt deze midrasj het hele verhaal van Jehoeda en Tamar, in hoofdstuk 38 uit. De midrasj verbindt Jehoeda’s rol in de verkoop van Joseef met zijn eigen ervaring met het verlies van kinderen – het is een voorbeeld van midah k’neged midah, of “leer om leer”.
Toch is de zojuist aangehaalde midrasj geen directe verklaring op hoofdstuk 37 of 38 – het is later geplaatst, in het gedeelte over de sidra van deze week, in verband met een vers dat luidt “[Jaäkov] had Jehoeda vooruitgestuurd naar Joseef, om van hem te horen welke weg naar Gosjen leidde. . .” als de familie op het punt staat JisraëeI te verlaten om in Egypte te worden herenigd met Joseef (46:28).
Met andere woorden, onze midrasj lijkt te gaan over Jehoeda’s straf voor het bedriegen van zijn vader, maar het wordt eigenlijk veel later in het verhaal als commentaar opgenomen, nadat de hele familie is verzoend en herenigd.
Dus wat is hier aan de hand, en wat heeft dit allemaal te maken met onze oorspronkelijke vraag: waarom was het Jehoeda die naar voren stapte, met groot persoonlijk risico, om Benjamin te verdedigen?
Ik denk dat de plaatsing van onze midrasj cruciaal is, want als het slechts een uitleg was waarom het verhaal van Jehoeda en Tamar juist op die plek verschijnt, zou het ons een beeld geven van een wrede en wraakzuchtige God, die het ene kind doodt om het andere te wreken. Omdat deze midrasj later wordt geplaatst, in verband met een vers dat de ultieme verzoening van Jehoeda met zijn vader aan het licht brengt, denk ik dat deze midrasj erop zinspeelt dat Jehoeda’s ervaring van verdriet en rouw ook de bron was van grote spirituele groei en groeiende onbaatzuchtigheid.
Onze midrasj zegt dat toen Jehoeda bereid was zijn eigen vader diep bedroefd achter te laten, dat was omdat hij de “pijn van het verlies van eigen kinderen” niet kende. Daarna trouwde hij, kreeg zonen en verloor twee van hen – en dat maakte hem bewust van de “pijn van het verlies van je kinderen” zodat het recht naar binnen kwam en hij er diep door getroffen werd.
Het is niet zo dat God Jehoeda’s kinderen wegnam vanwege wat hij Jaäkov zou hebben aangedaan – dat zou wreed en grillig van Gods kant zijn. De midrasj vertelt ons eerder wat hun verzoening mogelijk maakte: Jehoeda’s vermogen (of bereidheid) om zich intens in te leven in wat zijn vader doormaakt, zijn “kennis van de pijn van kinderen”. Empathie leidt idealiter tot mededogen, en het lijkt erop dat Jehoeda’s mededogen zo groot was dat hij zijn vader niet opnieuw een favoriete jongere zoon kon laten verliezen.
Dit roept een verdere vraag op: waarom zou Jaäkov meer rouwen om het verlies van Benjamin dan om het verlies van Jehoeda, aangezien het er bij Jehoeda’s toespraak om draait dat hij als vervanger in Egypte zal blijven?
Of het nu was omdat Benjamin de jongste was, of omdat hij een zoon was van de geliefde vrouw Rachel, Jehoeda wist dat Jaäkov een speciale band met hem had, zoals dat ooit ook het geval was met Joseef. (Cf. 44: 30) Dit gegeven is wat Jehoeda’s mededogen zo extra bijzonder maakt – hij was niet alleen in staat om zich in te leven in een beroofde vader, maar hij was zelfs in staat om zijn eerdere wrok te overwinnen om dit te doen, misschien zelfs door zijn vader te vergeven voor het de ene zoon meer liefhebben dan de ander.
Dit is de mate van Jehoeda’s grootheid: dat hij niet verstrikt bleef in zijn pijn, maar er geestelijk bovenuit groeide waarbij hij tragedie accepteerde en gebruikte als voedingsbodem voor empathie, mededogen, vergevingsgezindheid en zelfopoffering. Hij was degene die naar voren moest treden toen het uur daar was, omdat hij degene was die wist dat als hij zich wilde bevrijden van zijn eigen in het verleden begane fouten en opgekropte verdriet, hij het uiterste moest geven voor de bevrijding van anderen.
