Sjabbat Wajikra, 21 maart 2026/ 3 Niesan 5786
Wajikra/Wajikra: 1: 1 – 2:16; Tanach blz. 197.
Haftara: Jesjajahoe 43:21 – 44:23; Tanach blz. 1233 –1234.
Vertaler: Channa Kistemaker
Coördinatie: Channa Kistemaker
Commentaar:Rabbijn Eliezer B. Diamond z’’l was docent Talmoed en Rabbijns Jodendom aan het Jewish Theological Seminary te new York.
Use the link to read or listen to the original text in English.
_________________________________________________
Staan voor de poorten
In Kafka’s raadselachtige parabel “Voor de Wet” staat een man voor een poort, die graag toegang wil krijgen tot de Wet. De poort staat open, maar ernaast staat een poortwachter die hem de toegang weigert. De man gebruikt alle mogelijke listen om toestemming van de poortwachter te verkrijgen, maar elke poging mislukt. Deze patstelling duurt voort tot het moment van de dood zich aandient. Het verhaal eindigt met de volgende dialoog:
“Zeg eens, als iedereen naar de Wet streeft,” zegt de man, “hoe kan het dan dat in al die jaren niemand behalve ik toegang heeft gevraagd?” De poortwachter beseft dat de man zijn einde al heeft bereikt en, om hem ondanks zijn afnemende gehoor toch te bereiken, roept hij hem toe: “Niemand anders kon hier toegang krijgen. Deze ingang was alleen voor jou bestemd. En nu ga ik hem sluiten.”
Wat dit verhaal precies betekent, is een raadsel – niet verwonderlijk, gezien het feit dat de auteur Kafka is. Beschrijft Kafka hier een absurde wereld waarin men tegelijkertijd een ingang aangeboden krijgt én wordt tegengehouden? Of, als de man gewoon naar de poort was gelopen zonder toestemming te vragen, zou de poortwachter dan opzij zijn gestapt?
Wat we wel kunnen zeggen is dit: ingangen zijn ingewikkeld; ze kunnen tegelijkertijd open en ontoegankelijk zijn. En er zijn poorten die we zouden moeten binnentreden, maar waar we niet in slagen, door een combinatie van factoren waarover we al dan niet controle hebben.
Een vaak genoemde plaats in Wajikra is de petach ohel mo’ed (Wajikra 3:2 en elders), de ingang van de Tent der Ontmoeting (zoals het over het algemeen wordt vertaald) of Misjkan, de woonplaats van de goddelijke heerlijkheid. Het is zowel een toegangspoort als een controlepost. Als ontmoetingspunt tussen de mens en het goddelijke is het de plaats waar veel van de offerdienst plaatsvindt die “voor de Eeuwige” moet worden verricht (Sjemot 29:11 en elders). Maar de ingang markeert ook het ontoegankelijke domein van het heilige. Slechts weinigen mogen voorbij dit punt komen, en dan alleen om welomschreven heilige taken uit te voeren.
Aan het begin van Wajikra, wanneer Mosje voor de ingang staat, roept God hem “vanuit de ohel mo’ed” (Wajikra 1:1) om hem instructies te geven. Rabbijnse commentatoren interpreteren deze zin als volgt: Wanneer de goddelijke aanwezigheid neerdaalt op het heiligdom en Gods heerlijkheid het vult, kan Mosje de tent niet betreden (Sjemot 40:34-35). Hij verlangt ernaar naar binnen te gaan, maar moet wachten op Gods toestemming. Gods roep aan Mosje aan het begin van Wajikra is een uitnodiging om door de poort te gaan, zodat God hem kan onderwijzen.
Een heel ander verhaal is dat van Jaäkov bij Bet El. Jaäkov kampeert daar voor de nacht op zijn weg naar Haran. In zijn droom ziet hij een ladder die de hemel en de aarde verbindt en hoort hij God tot hem spreken. Wanneer hij ontwaakt, verkondigt hij: “Dit is zeker, op deze plaats is de Eeuwige aanwezig. Dat besefte ik niet. (…) dit is niets anders dan het huis van God, dit moet de poort van de hemel zijn.” (Beresjiet 28:16-17). Bij aankomst in Bet El had Jaäkov de hemelpoort die voor hem lag niet gezien; hij was in slaap gevallen, zich totaal onbewust van de aanwezigheid ervan. Het is God die hem de ware aard van de grond waarop hij ligt moet tonen.
Deze drie verhalen brengen me terug naar een van de meest aangrijpende passages in de Jom Kipoer-liturgie, te vinden in de Ne’ila-dienst:
“Open (petach) de poorten voor ons, nu de poorten gesloten worden, want de dag is ten einde.”
Dit verzoek is enigszins merkwaardig: waarom vragen om de poorten te openen juist op het moment dat ze gesloten moeten worden? Misschien moeten we het Hebreeuwse petach niet interpreteren als “openen”, maar als “openhouden”. We weten dat de poorten nu moeten sluiten, maar we vragen nog een paar momenten om gehoord te worden.
Een andere oplossing dient zich aan. Misschien zijn we geestelijke slaapwandelaars geweest, de hele dag onoplettend voor de openstaande poorten. Pas aan het einde van de dag, wanneer de poorten beginnen te sluiten, openen we onze ogen; pas nu staan de poorten echt voor ons open. Zijn we te laat? We bidden dat het niet zo is.
We staan voor zoveel poorten, worstelend om binnen te komen. Maar in diezelfde momenten kunnen we blind zijn voor andere poorten die zich voor ons openen, wachtend tot we erdoorheen stappen. Misschien staan we wel voor de verkeerde poort. Misschien moeten wij ons openstellen en op zoek gaan naar de poort die voor ons bestemd is.
