Sjabbat Sjelach Lecha, 21 juni 2025/ 25 siewan 5785
Bemidbar/Numeri 15: 1 – 41; Tenach blz. 297 – 300.
Haftara: Kohèlèt 4: 4 – 5: 7; Tanach blz. 1585 – 1586.
Vertaler: Benjamin Cohen
Coördinatie: Harry Polak
Commentaar: chazaniet Josée Wolff, o.a. Hebrew Tabernacle, Manhattan, New York
Use the link to read the original text in English.
_________________________________________________
De zonde van de spionnen
Wat deden de spionnen eigenlijk verkeerd?
Wanneer Mosjee de verkenners eropuit stuurt het land Kanaän te verkennen, geeft hij hen een lijst met zeer specifieke zaken om te onderzoeken. Hij instrueert hen als volgt: “Ga eerst door de Negev en dan de bergen in, en kijk hoe het land is, of de bevolking sterk is of zwak en of er veel of weinig mensen wonen. Kijk of het land bewoonbaar is of onherbergzaam en hoe de bevolking woont, in gewone dorpen of in vestingsteden, en kijk of de grond vet is of schraal, en of er bomen groeien of niet. En probeer vooral ook vruchten uit het land mee te nemen.” (Bemidbar 13: 17-20). Twaalf afgezanten gaan eropuit en keren na veertig dagen terug, rapporterend over wat ze in dit exotische nieuwe land zagen. Alle verkenners, behalve twee, worden later gestraft; ze sterven in de woestijn, slachtoffers van een plaag.
Wat is hun zonde? Volgens onze traditie zondigen ze door niet te vertrouwen op Gods visie en door geen geloof te hebben: “Hoe lang zal dit volk Mij nog afwijzen? Hoe lang nog zal het weigeren op Mij te vertrouwen ondanks alle wonderen die Ik verricht heb?” (Bemidbar 14: 11). Ook zondigen ze omdat ze “het volk tot geklaag (tegen Mosjee) hadden aangezet door allerlei ongunstigs over dat land te vertellen” (Bemidbar 14: 36).
De aard van hun zonde
Ik bevraag niet alleen de aard van hun zonde, maar ook Mosjees benadering van hun missie. Mosjees instructies verdelen de wereld in of/of categorieën die de nuances binnen een complexe realiteit negeren. Wat als hij, in plaats van zulke specifieke vragen te stellen, tegen hen had gezegd: “Wanneer jullie terugkomen, vertel ons dan wat jullie zien. Hoe hebben jullie deze nieuwe plek ervaren? Wat voor land was het? Hoe waren de mensen?” Misschien had dit soort open vragen de verkenners ertoe aangezet om met een ander verslag terug te komen. In ieder geval had dit soort instructies hen meer ruimte gegeven hun verhalen op een minder dualistische manier vorm te geven; de verkenners zouden geïnspireerd kunnen zijn geweest een andere beschrijving mee terug te nemen van wat ze zagen.
Of is het gewoon een kwestie van perspectief? De 12 afgezanten observeren en ervaren tenslotte allemaal hetzelfde, en toch komen twee van hen terug met een verslag dat totaal anders is dan dat van de andere tien. Wat stelt Jozua (Yehosjoea) en Kaleb (Kaleev) in staat om het Beloofde Land door andere ogen te zien?
In zijn boek The Courage to Create (1975) schrijft Rollo May: “We worden gevraagd iets nieuws te doen, om oog in oog te komen met een niemandsland, om een bos in te trekken waar geen gebaande paden zijn en waar vandaan niemand is teruggekeerd om ons de weg te wijzen. Dit is wat existentialisten de angst voor het grote niets noemen… Leven in de toekomst betekent duiken in het onbekende, en dit vereist een mate van moed waarvoor geen direct precedent is en waarvan weinigen zich bewust zijn.” Hij beweert dat “als je je eigen originele ideeën niet uit, als je niet luistert naar je eigen wezen, dan zal je jezelf verraden hebben. Ook heb je onze gemeenschap verraden omdat je er niet in geslaagd bent om jouw bijdrage aan het geheel te leveren.”
De 10 afgezanten beginnen hun verslag met positieve woorden over het land dat overvloeit van melk en honing; dan schakelen ze over naar de negatief gekleurde beschrijving van de versterkte steden en sterke mensen (Bemidbar 13: 27-29). De rabbijnen beschrijven dit als de manier waarop lasteraars spreken: “Ze beginnen met vleierij en eindigen met kwaad.” (BT Sotah 35a). Of, in modernere termen: de pessimist observeert een situatie, veralgemeniseert de slechte aspecten en interpreteert deze als een permanent en constant kenmerk. Daarentegen observeert de optimist dezelfde situatie en ziet de slechte aspecten, maar specificeert ze en interpreteert ze als een tijdelijk obstakel dat kan worden overwonnen.
Dit is dus de zonde van de verkenners: hun falen bij te dragen aan hun gemeenschap vanwege hun negatieve houding en beperkte perspectief. Ze missen schijnbaar de moed om in het onbekende te duiken en oog in oog te komen met ‘niemandsland’. Waar de tien de potentiële mislukkingen en nederlagen zien, zien Jozua en Kaleb potentieel succes en mogelijkheden. Ze hadden de moed om het onbekende in te duiken en zich een nieuwe realiteit voor te stellen.
Hoewel zij de uitdagingen die voor hen liggen erkennen, zijn ze in staat om ‘naar hun eigen wezen te luisteren’ en te vertrouwen op het vermogen van de mensen om die uitdagingen te overwinnen met de door God beloofde hulp en bescherming:
“Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben is een buitengewoon goed land, een land dat overvloeit van melk en honing. Als de Eeuwige ons goedgezind is, zal Hij ons erheen brengen en het ons geven. Maar verzet u dan niet tegen de Eeuwige en wees niet bang voor de bevolking van het land: die vermorzelen we met gemak. Zij hebben niemand die hen beschermt en wij worden bijgestaan door de Eeuwige. Wees dus niet bang voor hen.” (Numeri 14: 7-9)
Zoals Harvey Fields schreef, kunnen ook wij “‘Beloofde Landen’ veroveren als we respect hebben voor onze talenten en geloven in onze creatieve krachten. De zonde van de spionnen kwam voort uit hun gebrek aan zelfliefde en zelfrespect… Alleen Jozua en Kaleb, die weigeren zichzelf als ‘sprinkhanen’ te zien, zijn waardig om het Beloofde Land binnen te gaan” (A Torah Commentary for Our Times, 1993, p. 42).
De uitdaging van Sjelach lecha
Dit zijn voor mij de uitdagingen van parasjat Sjelach. Ten eerste, de uitdaging om de wereld in al zijn genuanceerde complexiteit te zien – en deze niet te reduceren tot simplistische of/of, zwart/wit categorieën. Ten tweede, en meer centraal in de parasja, de uitdaging om onszelf echt lief te hebben en op onze instincten te vertrouwen, de uitdaging om onszelf niet minder te maken dan we werkelijk zijn (omdat dit af zou doen aan Degene naar wiens evenbeeld we geschapen zijn), en de uitdaging om te leven met de ‘angst voor het grote niets’ met het doel een nieuwe realiteit te creëren. Zolang we onszelf slechts als sprinkhanen tegenover reuzen zien, bereiden we onszelf voor op mislukking. Als we iets nieuws willen creëren en het Beloofde Land willen binnengaan, dan hebben we geen andere keuze dan in het onbekende te duiken, in onszelf te geloven en te vertrouwen op Gods geloof in ons. Deze stem van optimisme en hoop is wat Jozua en Kaleb onderscheidt van de andere verkenners. Dit is wat – ondanks een lange geschiedenis vol goede redenen om onszelf als sprinkhanen te zien en op te geven – het Joodse volk in staat heeft gesteld om door te gaan met bloeien.
