Sjabbat Sjoftiem, 30 augustus 2025/ 6 eloel 5785
Dewariem/Deuteronomium 20: 1 – 20, 21: 1 – 9; Tanach blz. 390 – 393.
Haftara: Jesjaja 51: 12 – 52: 12; Tanach blz. 888 – 891.
Vertaler: Thea Koster
Coördinatie: Harry Polak
Commentaar: senior-rabbijn Jacqueline Mates-Muchin, Temple Sinai in Oakland, Californië
Use the link to read the original text in English.
_________________________________________________
Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zult u nastreven
In de parasja van deze week, Sjoftiem staat één van de krachtigste verzen van alle Joodse geschriften:
Tsedek, tsedek, tirdof – Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zult u nastreven.
Wij in de Reformbeweging herhalen deze zin steeds weer. Het is onze strijdkreet wanneer we de wereld intrekken om sociale rechtvaardigheid uit te dragen. Het maakt deel uit van de basis van ons “zijn” en verantwoordelijkheidsgevoel als Joden.
Deze woorden zijn ons gegeven in de context van wetten betreffende het rechtssysteem. Ons wordt verteld dat we magistraten moeten aanstellen om eerlijk te regeren, geen partijdigheid te tonen en steekpenningen te weigeren. We moeten rechtvaardigheid nastreven wanneer we ons vestigen in een nieuw land en in onze nieuwe samenleving. Maar we moeten ons ook realiseren dat, vanwege de manier waarop het gebod is gestructureerd, rechtvaardigheid altijd iets is wat we zullen nastreven, en niet noodzakelijkerwijs iets dat bereikt kan worden. Ons begrip van rechtvaardigheid verandert in de loop van de tijd; het is geen vaststaand gegeven.
De tekst zelf is een perfect voorbeeld. Vermengd met wetten over eerlijkheid en de noodzaak van meerdere getuigen om iemand voor een misdaad te veroordelen, vinden we de details van enkele van de misdaden uit die tijd.
“Wanneer zich in een van de steden die de Eeuwige, uw God, u zal geven, iemand bevindt, man of vrouw, die doet wat slecht is in de ogen van de Eeuwige door de regels van het verbond te overtreden, door andere goden te vereren, de zon, de maan of de sterren, en daarvoor neer te knielen, hoewel ik dat verboden heb, en het komt u ter ore, dan moet u zorgvuldig navraag doen. Als blijkt dat het waar is, als onomstotelijk vaststaat dat deze gruwelijke dingen onder het volk van Jisraeel hebben plaatsgevonden, dan moet u de man of vrouw die zich zo misdragen heeft de stad uit brengen en buiten de poort stenigen tot de dood erop volgt.”
(Deuteronomium 17:2-5)
Het aanbidden van andere goden werd in de tijd dat Deuteronomium werd geschreven als een misdaad beschouwd die ernstig genoeg was om de doodstraf te rechtvaardigen. Dat is voor ons niet langer iets dat we rechtvaardig vinden. Het aanbidden van iets anders dan God is geen halsmisdaad. In de loop van de tijd zijn we tot dat inzicht gekomen. We hebben de betekenis van deze daad afgewogen tegen andere misdrijven en geoordeeld dat dit niet de strafmaat haalt die het ooit verdiende. Mensen bekeren zich tot andere religies. Mensen kiezen ervoor om gelovig te zijn of niet. Wij roepen niet op tot steniging. Ons begrip van rechtvaardigheid is veranderd.
Er was bijvoorbeeld een tijd dat oog om oog en tand om tand als rechtvaardig werd beschouwd. Dat is de Bijbelse wet. Wanneer we de rabbijnse literatuur bekijken, beginnen mensen te beweren dat we iemands oog niet mogen uitsteken, zelfs niet van diegene die de vernietiging van iemands oog heeft veroorzaakt. In plaats daarvan zou er een financiële compensatie moeten zijn voor het verlies van een oog, veroorzaakt door een ander. Uiteindelijk kun je geen gerechtigheid verkrijgen door mijn oog af te pakken, omdat ik het jouwe heb vernietigd. Jij hebt niets gedaan waarom je je oog moest verliezen, terwijl het verlies van mijn oog een straf was voor het afnemen van het jouwe. Je wint er niets mee door mijn oog te verliezen. Maar als ik jou compenseer dan heb je er tenminste iets aan. Naarmate de tijd verstrijkt, leren we meer over hoe gerechtigheid eruit zou kunnen zien, dus het systeem dat we opzetten om ons nieuwe begrip en inzicht te ondersteunen, moet die verandering weerspiegelen. Geworteld in onze waarden van mededogen en vriendelijkheid, moeten we nastreven wat wij onder gerechtigheid verstaan.
We ontdekken ook dat, zodra we nieuwe wetten creëren op basis van veranderende omstandigheden, er dingen zijn waar we nooit aan hebben gedacht. We kunnen het bijvoorbeeld onrechtmatig maken om iemand niet aan te nemen op basis van geslacht, ras of handicap. Maar zodra we die grens in het rechtvaardigheidszand trekken, realiseren we ons dat er andere belangrijke factoren zijn waarmee rekening moet worden gehouden. Dingen zoals impliciete vooroordelen beïnvloeden nog steeds de manier waarop we dingen doen. Maar we hebben de implicaties van die vooroordelen misschien niet beseft totdat we bewuste vooroordelen onrechtmatig maakten. We leren van de positieve stappen die we zetten richting rechtvaardigheid, want totdat we die stappen zetten, is het moeilijk te weten welke andere factoren ons in de weg zitten.
Er is geen staat van volmaakte rechtvaardigheid, omdat we altijd nieuwe dingen leren, verschillende subtiliteiten zien, en de wereld en de omstandigheden voortdurend veranderen. We kunnen misschien geen volmaakt rechtvaardige samenleving creëren; in plaats daarvan moeten we onze samenleving inrichten als één die rechtvaardigheid nastreeft, zich indien nodig aanpast en flexibel blijft met situaties terwijl de wereld om ons heen verandert. Als we denken dat we volmaakte rechtvaardigheid hebben bereikt, dan hebben we onze idealen niet hoog genoeg gesteld. Wat we ons ook voorstellen, het zal beperkt worden door onze ervaringen als mens, zelfs met de collectieve kennis van voorgaande generaties. Mogen wij, als samenleving, voortdurend streven naar rechtvaardigheid door het nastreven van rechtvaardigheid af te dwingen.
Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zullen we nastreven.
