Sjabbat Toledot, 22 november 2025/ 2 kislev 5786
Beresjiet/Genesis: 25: 19 – 4, 26: 1 – 12; Tanach blz. 48 – 50.
Haftara: Maleachi: 1: 1 – 2: 7; Tanach blz. 1230 – 1231.
Vertaler: Bram Lagendijk
Coördinatie: Harry Polak
Commentaar: rabbijn Jonathan Sacks z.l., o.a. opperrabbijn van het Britse Gemenebest
Use the link to read or listen to the original text in English.
_________________________________________________
Waarom Jitschak? Waarom Ja’akov?
Levensveranderende ideeën
Waarom Jitschak en niet Jisjmaeel? Waarom Ja’akov en niet Esav? Dit zijn enkele van de meest brandende vragen binnen het Jodendom.
Het is onmogelijk om Bereesjiet/Genesis, hoofdstuk 21 te lezen – met de beschrijving van hoe Hagar en haar zoon de woestijn in werden verdreven, hoe hun water opraakte, hoe Hagar Jisjmaeel onder een struik plaatste en op afstand ging zitten zodat ze hem niet zou zien sterven – zonder intens gevoel voor hen beiden, moeder en kind. Ze huilen allebei. De Tora vertelt ons dat God Jisjmaeel hoorde kermen en een engel stuurde om Hagar te troosten, die haar een waterput liet zien en haar verzekerde dat God haar zoon tot “een groot volk” zou maken (Bereesjiet 21: 18) – precies de belofte die Hij zelf aan Avraham deed aan het begin van diens opdracht (Bereesjiet 12: 2).
Net zoals bij Esav. Het emotionele hoogtepunt van deze sidra is in hoofdstuk 27, wanneer Ja’akov Jitschak verlaat, nadat hij hem heeft misleid door hem te laten denken dat hij Esav was. Dan komt Esav binnen en langzaam beseffen zowel de vader als de zoon wat er is gebeurd. Dit is wat we lezen:
Toen schrok Jitschak hevig en zei: “Maar wie was het dan die mij net een stuk wild heeft gebracht dat hij geschoten had? Ik heb ervan gegeten voordat jij kwam en ik heb hem gezegend. En die zegen zal op hem blijven rusten!” Toen Esav dat van zijn vader hoorde, slaakte hij een wilde, wanhopige kreet en hij smeekte zijn vader: “Zegen mij, zegen ook mij, vader!” (Bereesjiet 27: 33 – 34)
Deze verhalen behoren tot de krachtigste beschrijvingen van emoties in de hele Tora, en ze zijn precies het tegenovergestelde van wat we zouden verwachten. We zouden verwachten dat de Tora ons zou aansporen om medeleven te tonen met de uitverkorenen: Jitschak en Ja’akov. In plaats daarvan dwingt de Tora ons bijna tot medeleven met de niet-uitverkorenen: Hagar, Jisjmaeel en Esav. We voelen hun pijn en hun verlies.
Dus, waarom Jischak en niet Jisjmaeel? Waarom Ja’akov en niet Esav? Hierop zijn twee verklaringen mogelijk. De eerste wordt gegeven in de midrasj. Volgens deze verklaring waren Isaak en Jakob rechtvaardig, en Jisjmaeel en Esav niet.
Jisjmaeel aanbad afgoden. [1] Hij verkrachtte getrouwde vrouwen. [2] Hij probeerde Jitschak te doden met zijn pijl en boog, terwijl hij deed alsof het een ongeluk was. [3] Esav werd, zelfs al in de baarmoeder, bekoord door afgodische heiligdommen. [4] Hij lokte niet alleen dieren in de val, maar ook zijn vader Jitschak door te doen alsof hij vroom was, terwijl hij dat niet was. [5] God verkortte Avrahams leven met vijf jaar, zodat hij niet zou hoeven zien hoe zijn kleinzoon een verloofde vrouw verkrachtte, moord pleegde, God verloochende, de opstanding van de doden ontkende en het geboorterecht verachtte. [6] Dat is de uitleg in de midrasj. Die helpt ons Jitschak en Ja’akov te zien als volmaakt goed en Jisjmaeel en Esav als gevaarlijk slecht. Dat is een belangrijk beginsel in onze traditie.
Maar het is niet de beschrijving van de geschreven Tora zelf, althans voor zover we zoeken naar wat Rasjbam “omek pesjoeto sjel mikra” noemde, de “diepe, duidelijke betekenis van de Tora”. [7] De Tora portretteert Jisjmaeel en Esav niet als slecht. Het ergste wat er over Jisjmaeel kan worden gezegd, is dat Sara hem metsacheek zag (Bereesjiet 21: 9). Een woord met vele betekenissen, waarvan de meeste niet negatief zijn. Letterlijk betekent het: “Hij lachte.” Maar Avraham en Sara lachten ook. [8] En Jitschak deed het ook. [9] De naam van Jitschak, gekozen door God zelf, [10] betekent feitelijk: “Hij zal lachen.” Er is niets aan het woord zelf dat ongepast gedrag impliceert. [11]
In het geval van Esav is het meest treffende vers dat waarin hij ermee instemt afstand te doen van zijn eerstgeboorterecht in ruil voor een kom soep (Bereesjiet 25: 34). In een staccato reeks van vijf opeenvolgende werkwoorden zegt de Tora dat hij “at, dronk, opstond, wegging en zijn eerstgeboorterecht verachtte”. Dit vertelt ons echter dat hij impulsief was, niet dat hij slecht was.
Als we de “diepe, duidelijke betekenis” zoeken, moeten we vertrouwen op de expliciete getuigenis van de Tora. Wat die ons vertelt is fascinerend. Een engel vertelde Hagar, voordat Jisjmaeel geboren werd, dat hij “een wilde ezel van een man zal hij zijn, hij schopt iedereen, iedereen schopt hem” (Bereesjiet 16: 12). Hij werd een begenadigd boogschutter (Bereesjiet 21: 20). Esav, roodharig en al op jonge leeftijd fysiek volwassen, was “een bekwame jager, een man van het veld” (Bereesjiet 25: 27). Jisjmaeel en Esav voelden zich thuis in de natuur. Ze waren sterk, behendig en niet bang voor de wildernis. In elke andere cultuur waren ze misschien wel helden geworden. En dat is het punt. We zullen de Tora alleen begrijpen als we ons realiseren dat elke andere religie in de oudheid de natuur aanbad. Daarin vonden ze God, of preciezer, de goden: in de zon, de maan, de sterren, de storm, de regen die de aarde voedde, en in de aarde die voor voedsel zorgde.
Zelfs in de 21e eeuw vereren mensen voor wie wetenschap de plaats van religie heeft ingenomen, nog steeds de natuur. Voor hen zijn we fysieke wezens. Voor hen bestaat er niet zoiets als een ziel, slechts elektrische impulsen in de hersenen. Voor hen bestaat er geen echte vrijheid: we zijn wat we zijn dankzij genetische en omgevingsoorzaken, waarover we geen echte controle hebben. Vrije wil, zeggen ze, is een illusie. Het menselijke leven, geloven ze, is niet heilig, noch verschillen we in soort van andere dieren. De natuur is alles wat er is. Dat was de opvatting van Lucretius in het oude Rome en van Epicurus in het pre-christelijke Griekenland. En het is de opvatting van wetenschappelijke atheïsten vandaag de dag.
Het geloof van Avraham en zijn nakomelingen is anders. God, zo geloven wij, staat boven de natuur, omdat Hij de natuur geschapen heeft. En omdat Hij ons naar Zijn beeld geschapen heeft, is er iets in ons dat ook boven de natuur staat. We zijn vrij. We zijn creatief. We kunnen mogelijkheden bedenken die nog niet bestaan hebben en ernaar handelen om ze te realiseren. We kunnen ons aanpassen aan onze omgeving, maar we kunnen onze omgeving ook aanpassen aan ons. Net als elk ander dier hebben we verlangens, maar in tegenstelling tot elk ander dier zijn we in staat om boven onze verlangens te staan en te kiezen welke te bevredigen en welke niet. We kunnen onderscheid maken tussen hoe iets is en hoe het zou moeten zijn. We kunnen ons afvragen “Waarom?”
Na de zondvloed verzoende God zich met de menselijke natuur en zwoer hij de wereld nooit meer te vernietigen (Bereesjiet 8 – 9). Toch wilde Hij de mensheid laten weten dat er iets is dat de natuur te boven gaat. Daarom koos Hij Avraham en zijn nakomelingen als Zijn ‘getuigen’. [12]
Het was niet toevallig dat Avraham en Sara, Jitschak en Rivka en Ja’akov en Rachel niet op natuurlijke wijze kinderen konden krijgen. Het was ook niet toevallig dat God het heilige land aan een volk zonder land beloofde. Hij koos Mosje – de man die zei: “Ik ben geen man van woorden” – om Zijn woord te brengen. Wanneer Mosje Gods woorden sprak, wisten de mensen dat ze niet van hemzelf waren.
God beloofde Avraham, Jitschak en Ja’akov twee dingen: kinderen en een land. Door de geschiedenis heen hebben de meeste mensen kinderen en een land als vanzelfsprekend beschouwd. Die maken deel uit van de natuur. Die zijn gestoeld op twee cruciale natuurlijke beweegredenen: de darwinistische drang en de territoriale drang. Alle dieren krijgen kinderen en veel dieren hebben hun eigen territorium dat ze markeren en verdedigen.
Joden – een van de kleinste volken ter wereld – hebben kinderen zelden als vanzelfsprekend kunnen beschouwen. Avrahams eerste opgetekende woorden tot God waren: “Eeuwige God, wat kunt u mij geven, aangezien ik kinderloos ben?” en zelfs vandaag de dag vragen we ons af: zullen we Joodse kleinkinderen krijgen? Noch hebben ze hun land als vanzelfsprekend kunnen beschouwen. Ze werden vaak omringd door vijanden die groter en machtiger waren dan zijzelf. Eeuwenlang hebben ze in ballingschap geleefd. Zelfs nu wordt het recht van de staat Israël in twijfel getrokken op een manier die voor geen enkel ander soeverein volk geldt. Zoals David Ben-Goerion zei: “In Israël moet je om een realist te zijn, in wonderen geloven.”
Jitschak en Ja’akov waren geen natuurmensen: het veld, de jacht, het soort gladiatorengevecht tussen roofdier en prooi. Ze waren niet zoals Jisjmaeel en Esav, mensen die konden overleven door hun eigen kracht en vaardigheid. Ze waren mannen die Gods geest nodig hadden om te overleven. Israël is het volk dat getuigt van iets dat verder reikt dan zijzelf.
Joden hebben keer op keer laten zien dat je een buitensporige bijdrage aan de mensheid kunt leveren, onevenredig gezien je aantal, en dat een klein volk elk imperium kan overleven dat haar vernietiging nastreeft. Ze hebben laten zien dat een volk sterk is wanneer het voor de zwakken zorgt en rijk wanneer het voor de armen zorgt. Joden zijn het volk in wie God heeft laten zien dat de menselijke geest boven de natuur kan uitstijgen, wat getuigt van iets waarachtigs dat de natuur overstijgt.
Dat is een levensveranderend idee. We zijn zo groot als onze idealen. Als we echt geloven in iets dat verder reikt dan onszelf, zullen we boven onszelf uitstijgen.
______________________________________________________________________________________________________________
- Bereesjiet Rabba 53:11; Sjemot Rabba 1:1.
- Bereesjiet Rabba 53:11.
- Ibid.
- Bereesjiet Rabba 63:6.
- Tanchoema, Toldot 8.
- Baba Batra 16b.
- Rasjbam op Bereesjiet 37:2, 28; Sjemot/Exodus 3:14, 13:9.
- Bereesjiet 17:17; 18:12.
- Bereesjiet 26:8.
- Bereesjiet. 17:19.
- Robert Alter doet de ingenieuze suggestie dat het betekent dat Jisjmaeel ‘Jitschak-te, en zijn jongere broer imiteerde (Robert Alter. The Five Books of Moses: een vertaling met commentaar. Norton, 2004, 103).
- Jesjaja 43:10-12; 44:8.
