Waetchanan

Sjabbat 9 augustus 2025/15 Av 5784, Sjabbat Nachamoe, Waetchanan, Dewariem/Deut. 6:1-25 – 7:11

                        Tanach blz. 363 – 366

Haftara:          Jesjajahoe 40:1 – 26

                        Tanach blz. 865 – 867

Vertaler:         Benjamin Cohen

Commentaar: Rabbijn Bradley Shavit Artson is vice-president van de American Jewish University en decaan aan de Ziegler School of Rabbinic Studies.

Oorspronkelijke Engelse tekst

 Use the link to read the original text in English.

__________________________________________________

Moeten we God vrezen of liefhebben – of beide?

Mosjé’s boodschap om met God om te gaan door middel van liefde, niet alleen door middel van vrees, is buitengewoon relevant in de moderne tijd.

Wat is de correcte emotionele houding die we moeten aannemen tegenover God? In deze tijd, net als in het verleden, zijn er twee soorten religieuze mensen. Sommigen beweren dat we God moeten vrezen en vereren, terwijl anderen de noodzaak benadrukken God lief te hebben.

Deze twee relatievormen, vrees en liefde, hebben een lange geschiedenis binnen het jodendom. Zowel jirat sjamajim (vrees voor de hemel) als ahavat ha-Sjem (liefde voor God) worden alom betuigd in traditionele en moderne geschriften. Hoewel de meeste Joden elementen van beide behouden, neigen individuen en gemeenschappen ernaar om de ene richting boven de andere te benadrukken.

Het natuurlijke gevolg van de nadruk op het vrezen van God is dat de verwachting bestaat dat hoe mensen en God met elkaar omgaan in één richting werkt. God gebiedt en mensen gehoorzamen.  De halacha (Joodse wet) wordt als onveranderlijk beschouwd omdat mensen, inclusief gemeenschapsleiders, overweldigd worden door een gevoel van hun eigen ontoereikendheid en onbeduidendheid. De hoogste vorm van menselijke respons is volledige, onvoorwaardelijke berusting.

Terwijl vrees voor God belangrijk kan zijn als een secundaire waarde, die voorkomt dat God wordt gereduceerd tot het automatische goedkeuren van onze nieuwste voorkeuren of onze meest flagrante tekortkomingen, bestaat er een lange traditie die prioriteit geeft aan het omgaan met God in liefde.

De Tora-lezing van deze week benadrukt de waarde van ahavat ha-Sjem als een primaire vorm van joodse vroomheid. Staande voor de bijeengekomen stammen van Jisraëel, herinnert Mosjé hen aan het ontroerende moment op de berg Sinaï toen God de Tien Geboden gaf. Dan vervolgt hij met het Sjema dat ons herinnert aan Gods eenheid, en onze loyaliteit belooft aan het exclusief dienen van God. Onmiddellijk daarna vervolgt Mosjé zijn instructies aan het volk door hen te zeggen: “U zult de Heer, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.” Voor Mosjé is het belangrijkste onderdeel van het dienen van God het liefhebben van God.

In zijn commentaar op de Tora bevestigt Rasji (11e-eeuws Frankrijk) deze constatering. Hij legt uit dat Mosjé bedoelde: “Vervul Gods geboden uit liefde. Je kunt iemand die uit liefde handelt niet vergelijken met iemand die handelt uit angst, die een meester dient uit angst. Wanneer deze laatste zich overbelast voelt, vertrekt hij en gaat weg.” Rasji, een scherpzinnige onderzoeker van het menselijk hart, weet dat angst alleen maar gedrag kan motiveren zolang de kracht van dwang blijft bestaan. Zodra de bron van angst zijn kracht verliest, stopt het dienen.

Dit geldt ook voor hen die God voornamelijk uit angst dienen: zij doen dat alleen zolang het voor hen “werkt”. Zodra ze hun dienst niet langer zien als een vrijwaring van de gevaren en teleurstellingen van het leven, stopt hun motivatie om God te dienen.

Misschien was het om deze reden dat Maimonides (12e-eeuws Spanje en Egypte) erop stond dat het dienen van God uit angst niet “de norm is die door de profeten en wijzen is gesteld“. Op zijn best, beweert hij, is het een nuttige educatieve maatregel “totdat hun kennis zal zijn toegenomen en zij uit liefde zullen dienen“.

Wat toen gold, geldt nu des te meer. De moderniteit, met haar nadruk op de waarde van het individu, op het vermogen van de mensheid tot vooruitgang, heeft ons voorbij het nut van angst als functioneel opvoedingsinstrument gebracht. Als Joden die modern willen zijn ook dichter bij God willen komen, zullen ze dat doen uit liefde. Cruciaal is dan ook dat we openstaan voor het waarnemen van die liefde. Door de schoonheid van de natuur om ons heen, kunnen we God’s liefde als Schepper ervaren.

Door de diepgang van ons heilige Joodse erfgoed kunnen we de liefde van God als honen da’at, degene die wijsheid schenkt, een plek in ons leven geven.  Door het uitvoeren van mitzvot (geboden) kunnen we takeen olam be-malchoet Sjaddai, de wereld herstellen onder de soevereiniteit van God. En door de daden van mededogen en zorg van degenen van wie we houden en onze gemeenschap, kunnen we God ervaren als de Gomel Chesed, degene die liefdevolle vriendelijkheid schenkt.