Wajèlèch

Sjabbat sjoewa Wajèlèch, 27 september 2025/ 5 tisjri 5786

Dewariem/Deuteronomium 31: 1 – 30; Tanach blz. 414-417

Haftara: Hosjea 14:  2 – 10, Micha 7: 18 – 20; Tanach blz. 1157-1158/1193

Vertaler:         Benjamin Cohen

Coördinatie:   Harry Polak

Commentaar:   rabbijn Ayelet Cohen, decaan van de JTS Rabbinical School, New York 

Oorspronkelijke Engelse tekst

 

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

De moed om te hopen

Begin van het Jaar:

Het is niet te laat. Het is vroeg

en gaat zo meteen groeien. Nu

is het de tijd te doen wat je

weet dat je moest en vreesde

te beginnen.

Marge Piercy

Sjabbat sjoeva vertegenwoordigt de plek tussen hoop en angst; tussen transformatie en ongerealiseerde aspiraties. We hebben misschien grote dingen beloofd op Rosj Hasjana, ons voorgenomen om belangrijke veranderingen in ons leven aan te brengen en het jaar in te gaan met een gevoel van enthousiasme en optimisme. Maar naarmate Jom Kippoer dichterbij komt, worden we ons bewuster van onze eigen tekortkomingen. Er ligt zoveel buiten onze macht. Het veranderen van oude gewoontes is moeilijk, de weg ernaartoe is onzeker. Wanneer we onze eigen beperkingen onder ogen zien, kunnen we ons angstig en eenzaam voelen. Het spirituele werk van dit moment ligt in het onderscheiden van het verschil tussen het erkennen van onze beperkingen en te zwichten voor angst.

In Parasjat Wajelech staan de Israëlieten op het punt het Beloofde Land binnen te gaan. Net als wij zijn ze vol mogelijkheden en angsten. Mozes heeft nog maar weinig tijd over. Zonder hem zullen de Israëlieten de uitdagingen die voor hen liggen het hoofd moeten bieden zonder hun constante gids en bemiddelaar bij God. We kunnen ons voorstellen dat zij, samen met Jozua, die op het punt staat hun leider te worden, zich losgemaakt en bang voelen.

Mozes biedt hun troost en geruststelling: ze zijn niet alleen. Jozua en de Israëlieten betreden een veranderde wereld, maar Mozes verzekert hen:

ה׳ אֱ-לֹקֶיךָ ה֣וּא עֹבֵ֣ר לְפָנֶ֗יךָ

De Eeuwige, uw God, zal zelf voor u uit gaan (Deut. 31: 3)

Ha’amek Davar, het 19e-eeuwse commentaar van Naftali Zvi Yehudah Berlin (de Netziv), wijst op het verschil tussen de formulering van dit vers en een soortgelijk vers toen de Israëlieten voor het eerst Egypte verlieten:

וה׳ הֹלֵךְ֩ לִפְנֵיהֶ֨ם יוֹמָ֜ם בְּעַמּ֤וּד עָנָן֙ לַנְחֹתָ֣ם הַדֶּ֔רֶךְ

De Eeuwige ging lifneihem (voor hen uit) om hen de weg te wijzen, overdag in een wolkkolom (Exod. 12: 21)

De taal in Exodus, volgens de Netziv, drukt uit dat de Israëlieten passief volgden toen God de Rode Zee spleet, terwijl “God zal voor u oversteken” betekent dat Gods handelen verweven is met dat van de Israëlieten. Zodra ze het beloofde land binnentrekken, zullen de Israëlieten actief hun eigen lot bepalen, als partners van het Goddelijke.

Als we echte verandering in ons leven willen creëren, kunnen we niet passief afwachten tot de verandering ons overkomt. Ondanks verlies en teleurstelling moeten we voortgaan en herstellen wat kapot is in onze relaties en onze wereld. Bij hun eerste stappen uit de slavernij volgden de Israëlieten een enorme wolkkolom. Nu, terwijl we aan dit nieuwe jaar beginnen, moeten wij onze eigen reis uitstippelen – net zoals de Israëlieten dat deden toen ze zich voorbereidden om het land binnen te trekken. Wij moeten het Goddelijke in onszelf zoeken.

Net als de Israëlieten voelen we niet altijd de aanwezigheid van God terwijl we onze weg zoeken door de uitdagingen van een onzekere toekomst, wanneer we het nieuwe jaar ingaan in een nieuwe fase van de pandemie [N.B. deze tekst is uit 2022, vertaler] in een tijd van geopolitieke en planetaire onrust en in een tijdperk van ingrijpende veranderingen voor het Joodse volk als geheel en ook dichter bij huis, voor onze eigen Joodse instellingen. Het besef van onze beperkingen en de zeer reële obstakels op onze weg kunnen het vertrouwen ondermijnen dat we kunnen veranderen, dat we het land kunnen binnengaan. Angst en twijfel aan onszelf dringen zich aan ons op en maken het moeilijk te onthouden dat we niet alleen zijn. Net als de Israëlieten die, overmand door twijfel en angst, eventjes wensten dat ze naar Egypte konden terugkeren, zijn er altijd mensen die handenwringend zeggen dat onze beste dagen achter ons liggen, dat we wat we hebben gebroken niet kunnen herstellen en weer vooruit gaan.

Mozes lijkt dit te hebben begrepen. Geconfronteerd met zijn eigen dood en het besef dat hij het land zelf niet zou bereiken, roept hij zijn krachtigste retoriek op. Hij laat Jozua en de Israëlieten – en ons – achter met een boodschap die ons nog steeds vergezelt en leidt. Hij stelt gerust en spoort aan:

חִזְק֣וּ וְאִמְצ֔וּ אַל־תִּֽירְא֥וּ וְאַל־תַּעַרְצ֖וּ מִפְּנֵיהֶ֑ם כִּ֣י  ה׳ אֱ-לֹקֶיךָ ה֚וּא הַהֹלֵ֣ךְ עִמָּ֔ךְ לֹ֥א יַרְפְּךָ֖ וְלֹ֥א יַעַזְבֶֽךָּ׃

Wees vastberaden en standvastig. Er is geen enkele reden om bang voor hen te zijn, want het is de Eeuwige, uw God, die met u meegaat. Hij zal niet van uw zijde wijken en u niet verlaten. (Deut. 31: 6)

Vastberadenheid en standvastigheid kennen vele vormen. Volgens de 12e-eeuwse Midrasj Lekach Tov verwijstחזקו ואמצו  (Wees vastberaden en standvastig) naar het sterk zijn in Tora en mitswot, en moed putten uit ma’asim tovim (verantwoordelijke en ethische daden) en derech erets (anderen met waardigheid en respect behandelen).

Mozes herhaalt deze sleutelwoorden nadrukkelijk aan Jozua in het volgende vers, om hem en de Israëlieten gerust te stellen.

וַיִּקְרָ֨א מֹשֶׁ֜ה לִיהוֹשֻׁ֗עַ וַיֹּ֨אמֶר אֵלָ֜יו לְעֵינֵ֣י כׇל־יִשְׂרָאֵל֮ חֲזַ֣ק וֶאֱמָץ֒

Toen riep Mozes Jozua bij zich en ten overstaan van alle Israëlieten zei hij tegen hem: ‘Wees vastberaden en standvastig’. (Deut. 31: 7)

We herhalen deze woorden in Psalm 27 gedurende de Jamiem Nora’iem, de Ontzagwekkende Dagen, een soort mantra dat ons kan sterken en troosten wanneer we de onvermijdelijke angsten en twijfels tegenkomen die met elk nieuw begin gepaard gaan.

קַוֵּ֗ה אֶל־ה׳ חֲ֭זַק וְיַאֲמֵ֣ץ לִבֶּ֑ךָ וְ֝קַוֵּ֗ה אֶל־ה׳׃

Wacht op de Eeuwige,

wees dapper en vastberaden,

ja, wacht op de Eeuwige.

(Psalm 27: 14)

De herhaling van “wacht op de Eeuwige”, die dit vers aan het begin en einde markeert, trekt de aandacht van de commentaren en de midrasj. Ze erkennen dat we deze woorden aan het begin en einde van dit vers herhalen omdat we soms bidden en onze gebeden niet verhoord worden. De ervaring van bang zijn dat onze gebeden niet gehoord worden, dat ons pad naar verandering en vernieuwing geblokkeerd wordt, is zowel klassieke als hedendaagse commentatoren natuurlijk bekend. Ze zeggen ons dat we het opnieuw moeten proberen. Dat we dieper moeten kijken. Dat we de hoop niet moeten opgeven.

Nu we ons op dit moment van overgang bevinden, in deze tussenliggende dagen vol ontzag, in de dubbele betekenis van angst en verwondering, kan ieder van ons nadenken over de manieren waarop we onszelf kunnen versterken met hoop terwijl we naar onze beloofde landen gaan.

De les van Sjabbat Sjoeva is dat we de moed moeten hebben om terug te keren. Dit seizoen roept ons op om God te zoeken, niet vóór ons, als een wolkkolom die duidelijke en makkelijke aanwijzingen op ons pad biedt, maar in onszelf. We zoeken naar alles wat in ons verweven is: naar God, naar de kracht die we uit onze voorouders kunnen putten, en naar de moed om te veranderen. Alleen dan kunnen we vooruit, wetende dat verandering mogelijk is en dat we niet alleen zijn.